Over Mij

Mezelf, omstandig 

 Ik ben van het bouwjaar 1956: het bakelieten tijdperk met zwart-wit foto’s, 
als baby in mijn koets of als ventje met een nylon schortje in vichy-blauw, opgroeiend in de nestwarmte van een middenstandsgezin.

Er waren de eerste studiejaren, de straf die ik moest schrijven, de oorvijg van een leraar, die ik niet begreep. Was het omdat ik zat te dromen?

De late jaren zestig kwamen, gezegend met Latijn en Grieks op internaat, de eerste langspeelplaten, tweetakt brommers en plexiglas.

De paters die reikten tot waar ze maar konden reiken met hun kennis, hun geloof, waarvan ik later genas. Mijn gevoel voor kunst, voor taal dat werd aangescherpt.

De jaren zeventig op Leuvense paden in vrijheid, blijheid op wijsgerige en geschiedkundige sporen gezet.
De wereld was toen aan verbouwing toe. Volgens onze stedenbouwkundige voorschriften wel te verstaan.

Vriendschappen die overeind bleven, werden toen geboren. Er kwamen nieuwe, die gingen.
De eerste gitaarakkoorden werden aangeleerd. Dylan kweelden we, een grootmeester.
De eerste grote liefdes kwamen en werden nadien weer klein.

“De Lenige Liefde” van De Coninck werd gelezen, het eerste bundeltje dat ik kocht. Het werd de instap naar de poëzie van die Oostakkerse Claus. Nadien werd het verrukkelijke taalgeweld van Faverey, Leonard Nolens, die “aparte” Komrij ontdekt, en die anderstaligen als een Whitman, Alberti, Lorca en Rilke.

Mijn voorliefde voor de prachtstemmen uit de klassieke muziek, liefst de Barok, werd aangescherpt. Ook de pianomuziek van Rachmaninov, Liszt, Chopin, de cellosuites van Bach, zal me blijvend beklijven.

Ik kende het geluk om alle continenten meermaals te bereizen. De mediterrane wereld doet me wegdromen, de aloude Languedoc met zijn Kathaars en troubadoursverleden in het bijzonder.

Ik ben bevlogen door mensen en dingen die er in slagen me te bekoren,
me op sleeptouw kunnen nemen, een naïviteit waarover ik soms struikel, meestal als een volleerde comedycaper. Tel er de vele blauwe ogen, de geschaafde knieën, de bloedneuzen bij. Ik ben er inmiddels deels van genezen.

De haast verplichte - opgedrongen mondigheid op de sociale media werd mij vreemd. De dagelijkse steekvlammetjes der verontwaardiging slepen er ons van het ene ’historisch’ moment, van de ene bagatel naar de andere.

Op roedelgedrag wens ik niet betrapt te worden. Ik sta bijzonder op mijn onafhankelijkheid en loop dus niet mee op mode’s. Zo kan ik er ook niet af vallen. Geloofsbrieven om toch maar ergens bij te horen, lever ik niet af. 

Men noemt me charmant, melancholisch, flamboyant, barok, uitbundig, romantisch.       

Roddel sterft onmiddelijk in mijn oren, de spreker in mijn ogen.   

Ik heb een hartstochtelijke afkeer voor opgestoken vingertjes, regeltjes, ethisch gezwets en dogmatisch denken. Grote mensenmassa’s ontwijk ik.

Verder heb ik een hekel aan schraal gelal, woorden zonder daden, wanorde, niet na gekomen afspraken en de ronduit stuitende onwellevendheid zoals het niet beantwoorden van een uitnodiging of een vraag binnen een redelijke termijn  

Voor mijn achtbaar cv meld ik met heel veel plezier dat ik van 2009 tot 2011 DorpsDichterDoel was. Een periode waar ik met een mengeling van sterke gevoelens op terugkijk.

Ik ben een voorstander van ’Copy Left’. Niettemin is het onnodig te melden dat iets plaatsen of gebruiken zonder mijn toestemming niet kan. Op eenvoudig verzoek kan alles. Ook weer een kwestie van hoffelijkheid.