Over TWIJFELAARS IN BLOEI, de poŽzietip van Martin Carrette

TEKST groter lettertype kleiner lettertype

donderdag 3 september 2015 om 14:46 uur.    |    Terug naar Proza
Dit werk werd reeds 691 maal bekeken.


Deze recensie verscheen eveneens op de webstek www.martincarrette.wordpress.com

 Martin Carrette 

BLOWING IN THE WIND

 Sinds zijn debuutbundel Infiniti (2007), is  Twijfelaars in bloei al de negende bundel van de Antwerpse troubadour en artistieke duizendpoot Frank De Vos. Ik had de eer en het genoegen een woord vooraf te schrijven voor zijn tweede bundel, In omstandigheden(2008). Toen schreef ik: poëzie is voor Frank De Vos een queeste in het land van de taal. Na lectuur van zijn nieuwste bundel, kan ik dat alleen maar bevestigen.

Zeer mooi vormgegeven, met de intrigerende beeldenreeks “Geheimnisse der Seele I, II, III, IV, V”  van Frank JMA Casteleyns als bindmiddel tussen de onderdelen, vraagt de bundel aandacht voor 24 gedichten, verdeeld over de afdelingen Om het afscheid dat afscheid neurietla Mélancholie c’est le bonheur d’ être triste en Descripta.

Ik noemde de dichter hierboven al een “troubadour” – hij is ook muzikant, bracht in 2013 een eerste CD uit, Quirilian – en het is niet overdreven te zeggen dat muziek een belangrijke rol speelt in deze bundel. Zo krijgen verschillende gedichten een muzikale term als titel (Ostinato, moderato, glissando enz.). In de laatste afdeling noemt De Vos een gedicht een “recitatief”. Muziek in de taal ook, met subtiel gebruik van alliteraties, assonanties, binnenrijm, enz., en vele gedichten bevatten woorden met een muzikale connotatie (galmgat, sourdine, het metrum van de nacht, een tremor van huiver, een wiegend lied, een cantabile, da capo, samenspel, zwanenzang, neuriën, partituur, tremolo’s … )

 Ook de thematiek draagt ertoe bij dat alle gedichten in Twijfelaars in bloei een hechte eenheid vormen. De titelpagina zet onmiddellijk de toon. De dichter zegt te spreken “con intima voce”, met de ingehouden stem van de weemoed, van l’heure bleue (zo luidt de titel van een gedicht), als het licht twijfelt – jawel, het licht is een van de twijfelaars in de bundel – tussen te zijn en niet te zijn. Dat wordt versterkt door een beeld van 4 röntgenfoto’s, skeletten, naast elkaar, met a.h.w. een donkere krop in de keel (hun woorden zijn er blijven steken- taal, ik kom er nog op terug) , sterke metafoor voor onze fundamentele allenigheid in dit ondermaanse.

 De echo daarvan weerklinkt op de volgende bladzijde, in een citaat van Cesare Pavese (en ik praatte en ik praatte, ik hield mezelf gezelschap, ik was met ons beiden alleen), solus cum solo. Alleen met zijn twijfel, zijn enige zekerheid, voegt de dichter eraan toe. En dan komt het titelgedicht, met het openingsvers “Hier staan twijfelaars in bloei, blijvend in hun dag van ontboezemingwaar ze blijven duren tussen bloem en vrucht”  (sic), tussen “to be or not to be” dus. En het enige wapen daartegen waarover de dichter beschikt is taal, “woorden… geboren in mijn dwarse pen”.

 En ja, er is veel weemoed, melancholie, veel onvolmaaktheid  en gemis, veel verleden in Twijfelaars in bloei, met twee reeksen gedichten over vader en moeder, over een overleden broer, veel nacht, tot in de afbeeldingen toe, met vlinders die duidelijk tot de motachtigen, de nachtvinders, behoren.  In het gedicht Sui generis belijdt De Vos expliciet dat “weemoed blijft mijn wankel huis”,“een land met wak gemoed dat leeft, en aan verleden kleeft”.

 En nee, er is niet echt soelaas, men herstelt niet van zijn moeder of vader, niet van de nacht, niet van het leven, zoals zeer krachtig wordt verbeeld in het gedicht “Wijzang in blauw”, dat opent met een nachttafereel, waarin “zijn (van de stad, noot van M.C.) blinde adem tastte naar het licht/ en aarzelde zoals de wind die twijfelde tussen klagen en genade”. In een sterke strofe vol synesthesie schetst de dichter die strijd tussen klagen en genade, wanhoop en hoop, maar … de laatste strofe is duidelijk: “Toen zong een vroege vogel in een kruin. / Hij had zijn nest verloren”.

 En waar blijft taal dan? TAAL is zonder meer hét leidmotief in deze bundel, de rode draad die letterlijk alle gedichten met elkaar verbindt. Ik heb het nagelezen: er is geen enkel gedicht in de bundel waarin niet naar taal wordt verwezen, waarin het niet over taal, over zwijgen, over spreken, over schrijven,  gaat. Ten bewijze, een citaat uit elk gedicht: na het boven aangehaalde citaat van Pavese, luidt het in het openingsgedicht: “In taal, mijn prooi … geboren in mijn dwarse pen”. Dan is de moeder “ook zo moedig zonder taal”. Verder: “Woord voor woord werd ik, een driesprong…”, “de poliep op je stem”, “je geur die zwijgen zal”, er is “een loslippig ukje op de trap”, “het stamelt in de engte van mijn taal”, de dichter is “ zo onzeker als een doorligwonde die mijn letters ondertoont”. In het gedicht Voor een schone broer lees je “je voorhoofd bleef zo zonder woorden”.

 In Wijzang in blauw: “Ik voelde de klank van schaduw”. Het gedicht Lamento begint met “mijn taal is licht als lucht” en even verder luidt het “het beeld dat stuitert in mijn pen” en is de dichter “een onmondig kind”.  “stommer dan de stilste dagen” leest men in Sui generis , waarna de dichter in het volgende gedicht dwaalt in “een gedachte die mijn pen beklemt, in het eenzaam samenspel van een binnenling” (zo parafraseert De Vos Pavese!).

 Ook in Als geen ander hapert het, “… waar ik in elk woord mij voor de voeten loop”. De dichter heeft het over “je zerpe stem” en “alle droge woorden blijven tot dusver”, hij is zich bewust van “het krimpende besef van letters”. De Vos kent zijn klassiekers en schrijft aan Rilke “in lange brieven de verdroogde woorden”. Bij een beeld in het Middelheimpark is hij “dichter aan een beeld geregen met langzame woorden”, bij een ander beeld daar “dichter bij het beeld ben ik een spraakgebrek”, “een stroom van broze woorden”. “Taal zong er een woud van lettergrepen”. Het gedicht Voor een fa-sleutel  begint met het vers Tot wanneer de zekering springt, lauwe letters schrijven”.

 En het laatste gedicht  In een S.T.E.M. voor anker  (S.T.EM. kan je hierbij niet alleen lezen als een letterwoord voor Stedelijk Museum, maar ook als STEM!) opent met “het vergeelde woord dat hier voor anker ligt heet stilte. Alle letters zijn vertrokken, verlopen in het spervuur van de tijd, loeihard er weggemaaid”. Bij dit laatste vers hoor ik Dylan, de oertroubadour, de letters zijn weggemaaid, wat ik eerst verkeerd had gelezen als weggewaaid.  The answer, my friend, is blowing in the wind.

 Taal, in letterlijk elk gedicht! Kortom, veel meer dan over weemoed of twijfel, is dit een sterke bundel over de onmacht van de dichter om met taal vergankelijkheid de baas te worden, over het gevecht van elke dichter, bij uitbreiding elke kunstenaar, om met de condition humaine, de dood in het reine te komen.

©MartinCarrette

 

TWIJFELAARS IN BLOEI, Frank De Vos, Uitgeverij P, 2014, 48p. 16 € ISBN 978-94-91455-49-0

 Ps. Op 20 september ben ik de gastdichter bij DéCéDé om 19.30u in het 3é Literair Café Carroesel , Karel Picquélaan 10 te Deinze




Vorige werk: Erick Kila over  Terug naar overzicht Over mijn bundels Volgende werk: Bart Stouten over