Bart Stouten over 'Twijfelaars in bloei'

TEKST groter lettertype kleiner lettertype

zaterdag 23 mei 2015 om 16:48 uur.    |    Terug naar Proza
Dit werk werd reeds 1741 maal bekeken.


Dames en heren,

Ik hoop dat de dames van Cellissimo, die u net gehoord hebt, bereid zijn op mijn begrafenis te spelen – liefst dan met de muziek van Bach natuurlijk!

Ik herinner me mijn levendig enthousiasme, de laatste keer. Ik vertelde u toen dat het woord bij Frank de Vos altijd zo’n fijne aanleiding is.

We denken allemaal vaak ten onrechte dat het woord een eindpunt is, dat het iets tot uitdrukking brengt wat geweten is, ervaren, doorvoeld. Maar wie lang genoeg met taal omgaat, wie zoals Frank de Vos een RELATIE met taal aangaat, wie haar als zijn partner bemint, zo ongeveer zei ik dat, die weet ook wel dat het neergeschreven woord meer OORZAAK is dan gevolg, meer oorzaak van een onvermoed leven dat bij het neergeschreven woord BEGINT. En dat neergeschreven woord stond in zijn bundel ‘Naamvallen in het ontheemde’.

Ik wil het meteen duidelijk maken, onomwonden, zonder omhaal van veel woorden: Frank de Vos heeft ALWEER een PRACHTIGE bundel geschreven, en DEZE keer zijn mooiste van allemaal. Zelden ben ik een laudatio begonnen met die kernachtige mededeling, zonder er eerst een bochtig pad naar te effenen. Ik heb geen mercantiele bedoelingen, ik heb er echt geen belang bij, er is geen verborgen agenda aan het werk, maar des te leuker is het voor mij om u te zeggen wat u wil horen: deze nieuwe boorling van Frank is groots. We gaan ervan horen. Het is spiritueel licht dat een moeilijke donkere kant van het bestaan zichtbaar maakt, even ophefmakend en revolutionair als de röntgenstralen die, aan het begin van de twintigste eeuw, inzage verschaften in de nooit eerder geobserveerde verborgen realiteit van het lichaam.

En ik zeg dat niet zomaar. Het lijkt alsof Frank een atrium heeft ontworpen, een centrale ruimte met een schitterend impluvium. Wondermooie invloeden sijpelen binnen hier. Ik zal ze voor u proberen te duiden.

Voor Frank de Vos is de poëzie in deze verzen van hem, en nu citeer ik hem, ’een krijsend kind dat beviel in zijn ziel’. Hij hoort het krijsen, hij wil weten waarom het krijst, hoe dat krijsen te bedaren, als dat de bedoeling is.

Dat fugaal voornemen doet me aan William Burroughs en Jack Kerouac en natuurlijk Allen Ginsberg denken, aan de beat poets en hun oude zoektocht naar een ‘intensive experience’. U weet het, de dichters van de Beat Generation wilden individuele, sterke persoonlijkheden behoeden voor de almaar groeiende druk van (of neiging tot) conformisme en prestige in de nieuwe, moderne maatschappij, een maatschappij waarin het belang van de oude godsdienst snel afnam om plaats te maken voor de gestage opgang van de massacultuur, in een maatschappij waarin de hoeveelheid prestaties die een individu leverde zwaarder telde dan de kwaliteit van zijn leven.

Ik raak in die twee zinnen heel veel dingen aan die ik hier weervind in deze bundel: een sterke persoonlijkheid is aan het werk, zo kennen we Frank; hij wil zichzelf en ons allemaal behoeden voor gesclerotiseerde wijzen van denken; hij neemt afstand van (revolteert tegen) de massacultuur die de kwaliteit van het leven amputeert. Frank is op zoek, en hoé, naar een intense levenservaring, naar de meest intens mogelijke ervaring van het Woord. Heel zijn poëtica is een ‘ervaring van het woord’, een ten TOP gedreven ‘ervaring van het woord’.

Maar het zonet geciteerde, fraai klinkende ’bevallen in de ziel’ is meerduidig. Het kan gaan om een bevalling, natuurlijk; maar het geboren kind kan Frank de Vos ook (al dan niet) aanstaan. Ik ken Frank te goed om niet te durven postuleren dat het ’krijsend kind’ een directe referentie is aan het adres van Samuel Beckett, die overigens voortdurend gewaagde in zijn teksten en gesprekken met vrienden, van herinneringen die hij zou hebben aan een periode voor zijn geboorte, een periode in de moederbuik, aan een vredige periode die door de geboorte bruusk werd afgebroken.

Laat ik onmiddellijk terugkeren naar Frank. Echt schreeuwen doet zijn bundel niet. Ik ontdek vooral verzen die zeer krachtig een krijsende STILTE willen ‘zeggen’. De stilte van een oncoloog die net verdachte sporen heeft ontdekt in zijn PET-scan.

Hoe dat krijsen te bedaren? Dat is de hamvraag, hier. Maar langs welke weg Frank de Vos dat bedaren ook zal bereiken, hij wil het in elk geval doen met een taal die ’licht is als lucht, die door verlegen spleten kiert’ (zegt hij). De mogelijkheid wordt daarmee gesuggereerd dat taboes moeten worden overwonnen, of in elk geval aangeraakt. Frank de Vos gaat niet voor minder: zijn woorden zijn geen esthetiserende designers, het zijn oproerkraaiende rebellen, biechtvaders die hun mond opendoen. En de vraag is dan natuurlijk of de poëzie dat vermag, of de taboes op hun plaats zijn in deze poëzie, hier en nu, en hoe de lezer daarop zal reageren. Daarmee zijn we wel heel ver verwijderd van de poëzie die ‘louter’ bevallig wil zijn. Dit is, omgekeerd, poëzie die ondanks – in – alle pijn paradoxaal mooi en sterk is.

Ik moest aldoor denken, bij het lezen van Franks verzen, aan de Spanjaard Antonio Gamoneda, in zijn magistrale bundel ’Beschrijving van de leugen’, de leugen die aan elke beperking van het realisme wil ontsnappen, aan elke aanname in het bewustzijn, het bewustzijn dat nog goedgelovig is. Ik moest vaak aan Gamoneda denken, omdat Frank de Vos, net zoals Gamoneda, een grote zelfstandigheid bewaart in zijn poëzie, omdat de vorm van zijn verzen even streng als vrij is, en omdat hij evenmin als Gamoneda wakker ligt van onmiddellijke toegankelijkheid, maar er wel altijd over waakt dat voldoende elementen worden aangereikt die bij de lezer synapsen van empathie doen overgaan. 

Weinig is voor Frank de Vos met zekerheid geweten. Ook HIJ heeft iets van een oncoloog die aarzelt met zijn diagnose. De twijfel is ’bloot’, maar ze staat wel in bloei. Uiteindelijk is dit de charmante durf waarin Frank op zijn best is. Hij neemt ons mee in zijn flirt met een zelftwijfel, waar het beste van zijn zelfkennis resideert. Hij volgt hier het voorbeeld van de Poolse ironicus, die ik persoonlijk erg waardeer trouwens, Adam Zagajewski, die in zijn poëzie de communistische holle newspeak ontmaskert. Toeval of niet, en ik denk écht wel dat het geen toeval is, maar ik vond dat woord ’newspeak’ ook in de bundel van Frank. Geen toeval, dus. Want heel de bundel van Frank is ook een ontmaskering van alle newspeak hier bij ons. Geen ironie, bij Frank de Vos, wel een soort onderdrukte ergernis.

’Ik daal in een gedachte die mijn pen beklimt’, schrijft Frank: hier is een dichter aan het werk die een treffend commentaar wil leveren bij de inspiratie die hem komt aanwaaien. Eerder dan helemaal samen te vallen met die inspiratie, lijkt hij een rake afstand te hebben genomen om daarop te reflecteren. Dit verleent de verzen een zacht meta-aspect. Het boeddistisch-aanvoelend afstand-nemen vind ik ook, en bijna met dezelfde zachtheid, weer in de Estische poëzie van Jan Kaplinski, poëzie waarmee Frank de Vos qua toon aardig wat overeenkomst vertoont.

Het afdalen in de gedachten en gevoelens is heel muzikaal in deze bundel. Sommige delen hebben een suite-karakter, al zijn de muziektermen losjes samengebracht: ostinato, sostenuto, moderato, glissando. Ik begrijp ook zijn keuze voor de mooie symbiose woord-muziek (Cellissimo).

De muzikaliteit vloeit voort uit een melancholisch levensgevoel. Niet voor niets heet een deel ’La mélancolie, c’est le bonheur d’être triste’, naar Victor Hugo. De spleten waardoor Frank gluurt, kun je, door de letters wat te verdraaien, tot een spleen maken. En inderdaad, het (ik citeer) ’reutelend voorspel op de lippen’ blijft ook hier weer exact dàt: een voorspel, een melancholisch vooruitblikken naar iets dat er niet komt, omdat het voorspel ontmaskerd wordt als een blik achterom. En dat is misschien de ware reden dat het ’sjabloon weerbarstig’ blijft, zoals de dichter zegt.

De toon van Frank doet me ook heel vaak aan de Franse dichter Jean Echenoz denken. Jean Echenoz openbaart, net zoals Frank, prachtige stijlfiguren, ongewone woordspelletjes, hij stoeit met zijn gevoel voor dubbelzinnigheid en overklast iedereen in het spel met symboliek bij alleen al de keuze van zijn onderwerpen, en zelfs de namen van zijn personages. Echenoz heeft lak, net zoals Frank, aan een welomlijnde code, hij maakt werk van een ver doorgedreven vrijheid. Zijn werk wemelt, en ook dat is helemaal zoals bij Frank, van de knipoogjes naar betere poëzie. En hij laat voelen dat hij houdt van alle poëzie die voorafgaat aan hem. Ja, wis en waarempel, OOK dat doet Frank. Ik denk dat Frank mij heel goed begrijpt, en niet VERKEERD begrijpt, wanneer ik u zeg dat ik in elk vers van Frank tien andere dichters hoor klinken.

Franks muzikaliteit voert ons o.a. naar Leo Ferré. Leo Ferré neemt Frank dan weer mee naar de rommelmarkt van zijn felle geheugen. Dat vind ik zo sterk. Dit soort zangers ga je toch alleen maar op een rommelmarkt zoeken, en die rommelmarkt wordt een beeld. Zoals alles een beeld wordt. We lopen te snuisteren op een plek waar verrassingen wachten. Het is het GEHEUGEN van Frank, op de koop toe!

Maar het is toch vooral de weemoed die ik zo origineel aan het werk zie hier. Weemoed omvademt de mooiste verzen van Frank. Er wordt ’in vier bewegingen’ geschreven voor een moeder, ’in drie bewegingen’ voor een vader, en ’in een beweging’ ’voor een schone broer’. De weemoed wordt vooral ook ingegeven door een gevoel dat het kenbare tegelijk het vreemde is, een bedrieglijk trompe l’oeil aan de andere kant van een vergelijking die het kenbare en het onkenbare samenbrengt.

Liefdes zijn als vuurvliegen met knetterend lood in de vleugels. De liefde heeft geen vleugels die je optillen, de liefde maakt van je ziel een Icarus die dreigt neer te storten. Ik vind weinig verzen, in deze bundel, die een heil verwachten van de liefde. De dichter noteert ’tussen jou en mij de koortsblaas die de tijd kuste, de korst die op mijn lippen klemt.

Deze verzen verwoorden een poëtica, een kijk op poëzie, haar mogelijkheden en grenzen, de moeilijkheid om een essentie in focus te krijgen. De dichter ervaart zich ’bijziend als een fin-de-siècle’, hij kent de romantische waas van die bijziendheid, maar het is niet een romantiek waar hij genoegen mee neemt.

Frank schrijft over ’zijn stervende muze’: soms heb ik het gevoel dat deze uitgepuurde, van alle overtollig effect ontdane verzen in de richting van een eindpunt opschuiven. Ik meen me trouwens te herinneren dat Frank in een gesprek in Tenerife, in zijn appartement daar, gewaagde van een ‘laatste bundel’ die hij zou schrijven. Frank de Vos wil de trefkracht van zijn poëzie zo sterk maken, dat de poëzie haar eigen bekroning kan bezingen, ternauwernood zichzelf overbodig maken. Dit gevoel wordt echter niet bereikt zonder eerst een paar horden van wanhoop te nemen. In een van zijn mooiste verzen zegt Frank dit: ’soms zou ik een naam willen noemen voor het haasje-over dat ik strelen moet’.

Bijzonder veel genoegen doet het in de bundel ‘en passant’ de naam van Rainer Maria Rilke te ontmoeten. ‘Rainer, het is tijd nu voor het afscheid van gewoel, de grote zomer die er was, de volle rijpe vruchten die je vroeg, beschimmelen op rotte polderaarde’. Het lijkt alsof dat statement heel de poëtica van Rilke in een notendop wil vatten. We kunnen ook andere glimpjes opvangen van Franks bewonderde collega-kunstenaars. Hij draagt een gedicht op aan kunstschilder Hubert Minnebo. Ook hier gaat hij naar de kern van Minnebo, en misschien ook naar de liefde, die diep in ons zit, nooit elders: ‘En altijd komt ze terug, haar beeld dat nooit verwelkt, haar blik in bloei’. Verder vond ik nog een gedicht opgedragen aan meesterfotograaf Hartmut de Martelaere, die als ik me niet vergis de foto’s verzorgde bij Franks bundel Cicatrizado.  

En tot slot is er dan dat raadselachtige statement uit de film Il Postino: La poesia non è di chi la scrive, ma di chi se ne serve. Poëzie gaat niet over wie ze schrijft, maar over wie er zich van bedient. Het mooiste kenmerk van deze bundel ik ook de veelkantigheid, de multi-interpretabiliteit, waardoor de poëzie van Frank in elk van uw levens een heel andere, maar wel krachtige en unieke zegging kan vinden, een betekenis waarvan u alleen de geheimen zal kennen.

Dames en heren, dit alles klinkt vast heel groots. Maar zo WOU ik het ook laten klinken. Ik wil niet geloven in poëzie die alleen maar lieflijk is en zonder longinhoud. Poëzie mag en moet een reservoir van betekenissen zijn. Nee, poëzie moet niet enkel geurig zijn. Ik wil tienduizend bloemen in de lente vinden, in goede verzen. Een maan in de herfst. Die de wolken niet nodig heeft, of ze op een afstand houdt. En liefst wil ik een lente die lijkt op een herfst. Met tienduizend bloemen die verlangen naar een wolkje. Elk apart. Net zoals in deze poëzie van Frank De Vos.

Frank, ik wens je van harte proficiat met je zeer mooie nieuwe boorling.

 

 

  




Vorige werk: Over TWIJFELAARS IN BLOEI, de poŽzietip van Martin Carrette  Terug naar overzicht Over mijn bundels Volgende werk: Over Twijfelaars in bloei door Frank Decerf op De Schaal van Dighter