Een elite dicht en zingt

TEKST groter lettertype kleiner lettertype

donderdag 9 juli 2015 om 16:22 uur.    |    Terug naar Proza
Dit werk werd reeds 1978 maal bekeken.


 Sta me toe om te beginnen met een lied van het Songfestival in 1969 nl.  De Troubadour van Lenny Kuhr

https://www.youtube.com/watch?v=7NDkJsPdLN8

Voor ridders in de hoge zaal. Zong hij in stoere sterke taal. Een lang en bloederig verhaal. Maar ook het werkvolk uit de schuur. Hoorde zijn lied vol avontuur. Hoorde bij ‘t nachtelijk keukenvuur. En in de herberg van de stad. Zong hij een drinklied op het nat. Voor wie nog staan kon en wie zat. De troubadour

Ik kan met enige zekerheid stellen dat de troubadour zoals hij door Lenny Kuhr op het Songfestival van 1969 wordt afgeschilderd niet beantwoord aan zijn Middeleeuwse evenknie. Verre van zelfs…

Met de hoofse minnelyriek waait in de Languedoc vanaf het einde van de XIde eeuw  een nieuwe wind: de Fin’amors  in het Occitaans, of L’amour courtois in het Frans. Het is een fenomeen dat over heel West-Europa zal uitdeinen. In de Duitse gebieden zijn er Minnesänger met bijvoorbeeld de troubadour Wolfram von Eschenbach of Tannhäuser waaraan Richard Wagner een opera wijdde. In onze Lage Landen zijn Hendrik Van Veldeke en Hertog Jan I van Brabant de vertegenwoordigers. Deze eerste grote literaire stroming danken we aan de gezongen poëzie van de troubadours. Hun naam is afgeleid van ‘Trobar’ in het langue d’oc. In het langue d’oïl zijn het ‘Trouvères’: zij die vinden, creëren, baren. Voor de Franse historica Anne Brenon is dit ‘une première Renaissance’ waarop latere generaties zullen voortbouwen. "De voorvaderen moeten in mij, herboren, voortleven, scheppend voor een verder gevorderde wereld" schrijft Christine D’haen

De troubadours schrijven en roman, de Lingua romana, de volkstaal waaraan we het woord “Roman” danken. De variant van deze Lingua romana die zij gebruiken is het Occitaans. Hiermee breken ze met de Latijnse religieuze en profane zangen en ‘vinden’ in de canso of sirvèntes een nieuwe poëzie die wordt geschreven om te zingen. In hun werk staan vreugde en jeugd centraal. De vrouw, de domna, wordt het voorwerp van een fin’amor of hoofse liefde. Deze vrouw is echter een dame du loinh: de beminde vrouw is onbereikbaar en speelt een passieve rol. Gelet op de feodale mannencultuur waarin de vrouw veelal als politieke pasmunt dient, is deze verheerlijking en verering van een onbereikbare, mooie dame in een adellijke omgeving vernieuwend. De vrouw wordt de inspiratiebron ‘dans la folie comme dans la sagesse’, schrijft troubadour Raymond de Miraval. Zij is het verheven Das Ewig-Weibliche zieht uns hinan van Goethe. Maar niet altijd was de domna een dame du loinh. Mogelijk kwam er met de adellijke vrouw des huizes af en toe wel een horizontale sport bij kijken.

 Bernautz de Ventadorn (Bernard de Ventadour)  

La joie m’enchaine, Bernard de Ventadour (1148- 1195)

In The Spirit of Romance, an Attempt to Define Somewhat the Charm of the Prerenaissance Literature of Latin Europe schrijft een ironische Ezra Pound over Bernard de Ventadour: ‘Becoming a ” fair man and skilled," and knowing how to make poetry, and being courteous and learned, he is honoured by the Viscount of Ventadorn; makes songs to the Countess ; makes one or two songs too many to the Countess ; with the sequel of a Countess under lock and key, and one more Troubadour wandering from court to court, and ending his days at the monastery of Dalon. Sic dixit Hugh of St Circ, as the son of the aforementioned Countess of Ventadorn’’

In hetzelfde werk vermeldt Pound eveneens de razo of de toelichting op een lied van Aimeric of Pegulhan:’’The razo on Aimeric of Pegulhan begins so delightfully that I must quote it even though it has no bearing on the art of song. This Pegulhan a was of Tolosa, son of a burgher, who was a merchant who had cloth to sell, and he learned canzos and sirventes, but sang very badly, and enamoured himself of a “burgesa" his neighbour, and this love taught him how to make poetry, and he made her many good canzos. But the husband mixed himself (se mesclai) up with him and did him dishonour, and Aimeric avenged himself and struck him with a sword through the head. Wherefore it was convenient (convinc) for him (Aimeric)’’ U ziet dus dat er niets menselijker is dan een man en een vrouw.

Volgens de mediëvist George Duby (1919-1996) kan de ‘amour courtois’ niet als een vorm van vrouwenemancipatie worden opgevat. Verder betrekt hij het fenomeen op les cadets, de adellijke jeugd: ‘C’est un jeu masculin, éducatif où les jeunes hommes, pas encore maîtrisent leurs pulsions et leurs sentiments, comme ils apprennent à maîtriser leur corps dans un tournoi (ce qui n’exclut pas qu’ils laissent libre cours à leur libido avec des femmes de rang inférieur). De plus, la femme est une proie ; celle qui est la cible de l’amour courtois des jeunes est souvent l’épouse du suzerain, qui la donne en enjeu. Les jeunes cherchent à séduire la dame pour mieux plaire à leur seigneur, mais aussi pour mieux se différencier du peuple vulgaire, et des bourgeois, qui peuvent les concurrencer financièrement, mais pas culturellement’.

Enkele troubadours behoren tot de hoge adel zoals Guilhelm de Poitiers, hertog van Aquitanië of Raimbaud d’Orange. Deze geletterde minnezangers staan ver van de volkszangers. Het bezongen liefdesspel is sterk gelieerd aan het concept van de ridderlijkheid, een ideaal uit een vervlogen tijd dat men graag deed herleven. De zangers behoren tot een elite die in een irreële spiegel kijkt:  ’un miroir narcissique de la classe dirigeante non comme elle était mais comme elle voulait d’être’, aldus Alfred Mondon.  Meestal zijn troubadours van nederige afkomst zoals Bernautz de Ventadorn, Giraut of Bornelh, Raimon de Miraval of Pière Vidal. De Montaudon en Pèire Cardenal zijn dan weer uitgetreden clerici. Hun publiek is de adel waarvoor zij optreden in hun landelijke burchten of stedelijke paleizen. Overigens is het woord ‘courtois’ afgeleid van het hofleven: “comme à la cour”, zoals aan het hof.  Wij zijn ‘hoffelijk’, en een dame maken wij het ‘hof’.  De milde vrijgevigheid die hen er ten deel valt, stelt hen in staat om van hun pen en luit te leven waarmee zij de adellijke echtgenote aan het hof vereren. Inderdaad, de aanbeden dames waren gehuwd en niet langer maagd. Onverminderd hebben zij de pretz of waardigheid om bezongen te worden. Zij zijn ensenhada, opgeleid en gecultiveerd en kennen literatuur, poëzie en muziek. In feite is het een omgekeerde feodale orde, waarbij de man de vazal wordt van de vrouw. Alleen in de sociale realiteit heeft zij geen keuze en moet zij een inferieure rol ondergaan. De symbolische wereld van de fin’amor, de liefdesdienst is voor de man echter wel een vrije keuze. Tegenover het profane karakter van de troubadourslyriek staat de katholieke kerk wel argwanend maar deze zal dit als een Mariacultus recupereren. De heilige Maagd is en blijft het vrouwelijke ideaal. Overigens is de troubadourslyriek schatplichtig aan de Moorse cultuur. In tegenstelling tot de Romaanse Fin’amors betrof het in Andalusië wel een fictieve vrouw die werd bezongen. In L’érotique des troubadours heeft René Nelli dit aangetoond. (2)

De Languedoc van de XIIde en XIIIde eeuw

Etang de Montady

De Languedoc was economisch een welvarende streek met handelsbetrekkingen tot in de Levant en gelet op enkele Villeneuve’s en moerassen zoals de Etang de Montady die in deze periode worden drooggelegd, volop in ontginningstijd. Algemeen wordt aangenomen dat dit Zuid-Franse gebied een open en ‘tolerante’ cultuur kende. De Occitaanse feodaliteit is minder hiërarchisch dan in het Noorden, waardoor er een grotere keuzevrijheid is. Men kent zoals in Italië de opkomst der steden en stadslucht maakt vrij. In Montpellier bestonden reeds in 1150 diverse Universitas, colleges die in 1289 met de pauselijk bul Quia Sapientia uiteindelijk de Universiteit van Montpellier zullen vormen. In dit historische omgevingsgeluid zal een andere christelijke kerk, die van de "Bons Chretiens"  beter bekend als ‘katharen’, zich kunnen inplanten. Joden waren er adviseurs of getuigen op de adellijke hoven. Het is pas na de Albigenzische kruistochten en met het ontstaan van de Inquisitie dat er vanaf de veertiende eeuw getto’s voor joden komen, zoals in Pézenas.

           Het Joods Getto van Pézenas.

De Occitaanse taalwereld

 De Occitaanse taalwereld

De taal der troubadours is het Occitaans en in feite vormt het Occitaans een eenheid. Het is pas in de negentiende eeuw dat met Frédéric Mistral het begrip Provençaals opduikt. Het kan enkel als een variant worden bekeken. Het Occitaans is in de Middeleeuwen eveneens een grote cultuurtaal, een feit dat niet altijd wordt erkent. In ‘Actes du colloque de Chancelade’ schrijft Anne Brennon, ‘Je suis convaincue que les langues d’oïl étaient plus comprehensibles que les dialectes d’oc’ (3) U ziet hoe deze mâconnaise een onderscheid maakt tussen ‘langue’ en ‘dialecte’ of hoe vandaag nog een Fransman alles wat niet Frans spreekt bekijkt. ‘Pourquoi le monde ne parle pas le français’

Een van de meest opmerkelijke passages van het Occitaans in de westerse literatuur is terug te vinden in de Canto XXVI van de Purgatorio in de Divina Comedia van Dante Alighieri, waar hij de troubadour Arnaut Daniel de Riberac als "il miglior fabbro" (“de beste schepper”, of letterlijk “de beste smid”) prijst Tu nuvoletta, in forma piu ch’ umana – Gij wolkje in een meer dan menselijke vorm en aan het woord laat:  leu sui Arnaut que plor e vau cantan – Ik ben Arnaud die weent en gaat zingen.

De troubadour Arnaut Daniel de Riberac werd door Francesco Petrarca tevens een grootmeester der liefde genoemd. In de 20e eeuw werd hij door Ezra Pound in diens werk The Spirit of Romance (1910) erkend als een van de grootste dichters die ooit heeft geleefd.

De troubadour Raimon de Miraval (1160 -- 1220), in het Occitaans Raimondo di Miravalle, was een arme ridder. Van hem zijn 45 werken bewaard gebleven waarvan 22 met een melodie. Het is meteen de meest uitgebreide collectie dat van een troubadour is bewaard gebleven. Hij werd bewonderd door zijn tijdgenoten en door de meeste dichters van latere generaties.

De ‘Paratge’ en het engagement van een poëtische avant-garde

Wanneer in 1208 paus Innocentius III de kruistocht tegen Albigenzen in de Languedoc preekt, kiezen de troubadours meestal de zijde van hun beschermheren. Hun wereld is bedreigd. Voor hen is de zaak van de Occitaanse heren evenzeer deze van de ‘courtoisie’. Na de nederlaag van de kruisvaarders kunnen ‘dames et amants recouvrer la joie d’aimer qu’ils ont perdue’. Het lot heeft anders beslist. Paratge is een begrip en zoals het Engelse ‘serendipity’ onvertaalbaar. Het woord is meerledig en zoals een matroesjka met haar verschillende popjes herbergt het vele betekenissen. Het staat niet alleen voor eer, moed, adel, hoffelijkheid, ridderlijkheid en elegantie, maar het omvat eveneens evenwicht, natuurlijke orde en rechtvaardigheid.

 Het Canso

Het Canso

Het Canso, sinds de negentiende eeuw Chanson de la croisade contre les Albigeois genoemd, is een epos. Het bestaat uit tienduizend Occitaanse alexandrijnen die door een anonieme troubadour werden geschreven. Vanuit het standpunt van de verdedigers verhaalt hij de gebeurtenissen tussen 1208 en 1219. In zijn verdediging van de legitimiteit van de Occitaanse heren is het fundamentele argument net de Paratge, die hij inroept tegen ‘li clergues e.l Francès’ en ‘l’orgolh de Fransa’ ( de clerus en de Fransen / de hoogmoed van Frankrijk). De schrijver is ontzet en geschokt door een gebrek aan respect voor de Paratge door de indringers. En deze beschuldiging is belangrijker dan bedrog, geweld, vandalisme, leugens, huichelarij, en zelfs massamoord.

Toto lo mons ne valg mens, de ver o sapiatz,

Car Paratges ne fo destruitz e decassatz

E totz Crestianesmes aonitz abassatz.

 

Het verkleinde de hele wereld, wees er zeker van,

Want het vernietigde en verdreef de Paratge,

En het onteerde en beschaamde het ganse Christendom.

Tegen de dubbele vijand, ‘li clergues e.li Francès’, zal tijdens de dertiende eeuw een generatie van geëngageerde troubadours hun pen scherpen: Guilhelm Montanhagol, die zich heftig tegen inquisiteurs keert; Bernat Sicard de Marvejols die de toe-eigening van het land door de clerus en de Fransen veroordeelt; en vooral Guilhelm Figuèira die in zijn sirventès ongemeen scherp te keer gaat tegen Rome. Zelfs tot in het begin van de veertiende eeuw klinkt in de inquisitieverslagen het verzet van Pière Cardenal door: ‘Li clerc si fan pastor, e son aussizedor / De geestelijken zijn vermomd als herders, en zijn moordenaars’.

Miniatuur uit het Cancioneiro da Ajuda (XIIIde eeuw)

Trobairitz: dames-troubadours

We beluisteren nu eerst het enige overgebleven lied - A chantar m’er de so – Ik moet zingen over wat ik niet wil van Beatriz Comtessa de Diá. Mogelijk is het een contrafact of een lied met een nieuwe tekst op een bestaande melodie. Het is opvallend hoe hier Arabische harmonieën en typische milesmen of notentrossen worden gebruikt. Wat dus op een beïnvloeding door het legendarische Al-Andalus kan wijzen.

https://www.youtube.com/watch?v=a_RQJOAHedQ

Beatriz Comtessa de Diá.

In Languedoc waren eveneens dames als troubadours actief. De trobairitz is een uitzonderlijke verschijning in de hoofse poëzie van het middeleeuwse westen. We vinden ze uitsluitend in de Occitaanse lyriek. De term trobairitz werd door henzelf niet gebruikt. Hij komt evenmin voor in de Vidas of biografieën of in verhandelingen over grammatica en poëzie uit de dertiende en veertiende eeuw. Het woord verschijnt de eerste maal in de Roman de Flamenca die aan het hof van de heren van Roquefeuil in het Occitaans door een onbekende troubadour na 1287 werd geschreven. Rond 1170, vanaf de derde generatie mannelijke collega’s, duiken zij op. Hun literaire activiteit duurt tot ongeveer 1260.  De belangrijkste trobairitz, tot nu toe bekend, zijn: Alamanda de Castelnau, Azalais de Porcairagues, Maria de Ventadorn, Tibors, Castelloza, Garsenda de Proença, Gormonda de Monpeslier en Beatriz Comtessa de Diá.

Valer de deu mos pretz et mos paratges / et ma beutaz e plus mos fis coratges.

Ik moet mijn waardigheid en mijn hoge afkomst doen gelden / en mijn schoonheid en meer nog in mijn hart.

Ongetwijfeld behoren ze tot de hoge adel en zijn ze goed opgeleid. Samen met hun mannelijke collega’s beleven ze de cours d’amours aan de adellijke hoven. Omwille van de adellijke context rijst de vraag of de Trobairitz, in vergelijking met adellijke collega’s in Noord-Frankrijk en andere Europese landen, een superieur sociaal statuut bezat. In tegenstelling tot deze collega’s erfden de Occitaanse edelvrouwen de familiebezittingen op voet van gelijkheid met hun broers. In de twaalfde en de dertiende eeuw zal door de renaissance van het Romeinse recht, de Codex Justinianus, dit erfenisrecht vervallen. Eenmaal douairière of adellijke weduwe, kunnen ze wel volledig over hun bruidsschat beschikken en worden ze economisch onafhankelijk.

Beatriz Comtessa de Diá.

E sabia bien trobar et fazia bellas coblas et amorosas.

En zij kon goed dichten en maakte mooie verzen over de liefde.

Ongeveer zesenveertig liederen zijn bewaard gebleven. In tegenstelling tot de troubadourspoëzie waar de vrouw als Domna een passieve rol vervult, ontstaat er bij de trobairitz een rollenconflict. Langs de ene zijde bezingen zij en geven zich over aan hun geliefde, langs de andere zijde behouden zij hun statuut van Domna. Het klassieke schema van drie personages: de troubadour, de Domna en de Lauzengier of lasteraar vinden we bij hen eveneens terug. Door dit contradictorische rollenpatroon is zij enerzijds de Domna wie het hof wordt gemaakt en anderzijds een actieve vrouw die zelf versiert. Op enkele punten wijken zij af: de natuuringang tijdens het begin van de lente en de trobar clus of de gesloten, meer obscure stijl van troubadours. Zij gebruikten meer negatieve woorden zoals non, ni, anc, niens, nulhs. Hun stijl is directer, met minder woordspelingen, kent een eenvoudiger rijmschema en is steeds in de verleden tijd gesteld. Door de regels niet zo nauw te nemen, rijst hier de vraag naar de vrijheid die deze dames namen, of dit in een meer realistische visie op de liefde kaderde, en of zij deze misschien parodieerden. Hun sensualiteit is open en direct. In tegenstelling tot het celar, het verhullen bij de trobador, is de liefde  bij de trobairitz niet verborgen. Zij wilden hun amants bij zich en kenden niet de liefde van verre, de ultieme vorm van de fin’d’amors. De trobairitz zal deze term echter nooit gebruiken maar uitsluitend het begrip amors. In enkele gedichten beklagen zij zich over hun zwangerschap, verzetten ze  zich tegen kledijvoorschriften of reageren ze tegen vrouwenhaat. Het zijn thema’s die we niet bepaald in de poëzie van troubadours terugvinden.

Gormonda de Monpeslier : een ‘politieke‘ Trobairitz

Het lange sirventès of dienaarslied van Gormonda de Monpeslier is het enige dat onder haar naam tot ons is gekomen. In alle opzichten is het exceptioneel voor haar tijd. Het wordt beschouwd als het eerste politieke gedicht dat door een vrouw werd geschreven. Omdat het alludeert op de dood op 8 november 1226 van de Franse koning Lodewijk VIII kunnen we met zekerheid stellen dat het werd geschreven tussen 1226 en 1229, het jaar van het Verdrag van Meaux. Het is een heftige repliek tegen de sirventès van Guilhelm Figueira, het is aan hem gericht en tegen de ketters. Strofe voor strofe herneemt zij zijn lied, imiteert het rijmschema maar in omgekeerde zin, dus tegen de ketterij. Het begint met een lofzang op Rome en terzelfdertijd richt zij haar verwijten aan haar vijanden: de troubadour Figueira en de ketters. Volgens haar is het hun schuld dat de hoofse waarden verdwijnen. Totz bos faitz cortes e.ls encausse’ e.ls enserra / Zij jagen op alle goede hoofse dingen en sluiten ze op.

Zij verwijt Rome dat deze niets onderneemt tegen de Saracenen, de ketters echter zijn nog slechter. Pegz de Sarrazis e de plus fals coratge / Slechter dan Saracenen en met vals hart. Dit kadert in de door Bernardus van Clervaux(1090-1153) gevormde katholieke visie op ketterij. Heresie komt van het Griekse woord hairesis (áἵρεσις) wat ‘keuze’ betekent. Zich doelbewust van het orthodoxe geloof afkeren was een zwaarder vergrijp dan ongeloof. Gormonda de Monpeslier weerlegt stuk voor stuk de aantijgingen van Figueira tegen de Roomse kerk zoals Le Sac de Béziers (juli 1209) waarin hij Rome van christenmoord beschuldigt. Dit is voor Gormonda geen valabel argument want ze waren allemaal ketters. Trouwens Si no.s pess’en pas / Non es chrestias/ ….Totz es fols e vas / Wanneer men aan vrede denkt is men geen christen….Men is zot en vals

Ketters zijn gluiperig en verdorven en behouden in het geheim steeds hun geloof. Het is dus waarschijnlijk dat niet alleen de katharen worden geviseerd. Zij constateert dat dezen nooit een mirakel hebben verricht, een bewijs dat hun ketterij niet deugt. Heftig, haast fanatiek, valt zij deze ketters aan. Enthousiast verdedigt zij het spirituele, absolute gezag van de katholieke kerk en rechtvaardigt zij de repressie.

Notre héritage n’est précédé d’aucun testament, René Char.

Clio de verrukkelijke muze van de geschiedenis is en blijft mijn schitterende  minnares. Zij vergeet ons niet. Het zijn wij die vergeten te kijken of ernaast kijken, soms bewust naast kijken. In haar verhaal over de mens schets zij een pendel slingerend tussen absolutisme en humanisme, tussen de meedogenloze terreur van dogmatisch denken of ideologische vooringenomenheid en de rustpunten van schitterende menselijkheid, nuance en net de vrijheid van denken. Natuurlijk zijn dit allemaal categorieën van deze tijd. Het blijft echter een heikele koorddans om elk facet te willen belichten, te willen bekijken om misschien, héél misschien te komen tot Leopold von Ranke’s oneliner Wie es eigentlich gewesen…  Wanneer ik aan geschiedenis denk is er steeds het beeld van een bijenkorf. Geschiedenis is een continuüm met een onafgebroken stroom van gebeurtenissen, een bijenkorf waarin talloze feiten als zoemende bijen rond vliegen. Over sommige periodes zijn er maar een bescheiden aantal te bekijken of hebben we ze nog niet kunnen bekijken, over een andere tijd is het bronnenmateriaal uitgebreider, zo niet gulzig ter beschikking.

Uit het weergaloze ‘ De Waanzinnige Veertiende Eeuw’ van de grote historica Barbara Tuchman citeer ik de Wet van Tuchman :” Het vastleggen van een gebeurtenis vermeerdert ogenschijnlijk de omvang van elke betreurenswaardige ontwikkeling vijf tot tienvoudig’  Verder gebruikt zij veelvuldig misschien, mogelijk en waarschijnlijk. Het zijn nederige woorden die grote geesten zoals Barbara Tuchman sieren en elke rechtgeaarde historicus tot nederigheid dwingen.

Hedendaagse gebeurtenissen met het verleden vergelijken is bijwijlen potsierlijk.   Het is zoals een correlatiecoëfficiënt trachten te berekenen tussen de stand van de neusvleugels en de kleine teen. Geen enkel verleden wordt aan de toekomst toegewezen. Geschiedschrijving is bijwijlen niet alleen een verhaal van copy-paste maar eveneens van recuperatie waarbij alles in een zelfde zak wordt gestoken. En al wat dienstig is voor een politieke agenda, beweging of wat dan ook wordt naar hartenlust gekaapt of weggelaten.

Niet alleen in oorlog sneuvelt waarheid, ook in geschiedschrijving. Geschiedenis zou  de permante leugendetector moeten zijn voor ‘’Fact free idiots’’. Vooral voor diegenen die uit intellectuele bloedarmoede zich aan analogieën bezondigen. Iets aan de jaren dertig koppelen blijft het goed doen. Ik denk hier aan de Achterhuiswet, een zoveelste journalistiek orgasme Zij worden door naakte feiten niet gehinderd. Dit gebeurt zowel ter linker als ter rechterzijde. Het is geen exclusiviteit van een bepaald politiek spectrum. Het vindt zijn oorsprong in de sirenezang van het superieur gewaande inzicht van bedriegers en hun natte droom waarbij het verleden in een ideologisch concept moet worden ingepast. Alles wat niet bruikbaar is wordt geweerd. Men kan hiervoor stilaan een gigantisch museum oprichten. Dit museum kan men dan best “Damnatio memoriae” noemen.

Frank De Vos

(1)  Ezra Pound, The Spirit of Romance, an Attempt to Define Somewhat the Charm of the Prerenaissance Literature of Latin Europe, 251 blz. 

(2)  René Nelli, L’érotique des troubadours, Union Générale D’éditions, 430 blz.  

(3) Troubadours et Cathares en Occitanie Médiévalle., Actes de colloque de Chancelade (24 et 25 août 2002), L’Hydre éditions, 191 

Dit artikel verscheen in het driemaandelijks muziektijdschrift Da Capo Cantabile

Voor de hulp bij de vertaling uit het Occitaans, ben ik professor emeritus dr. Theo Venckeleer, romanist en mediëvist, veel dank verschuldigd.                           




 Terug naar overzicht  Volgende werk: Fanatiek anti-Kathaars:Trobairitz Gormonda de Monpeslier