De beklijvende tederheid van een kraaienpoten-ik

TEKST groter lettertype kleiner lettertype

dinsdag 19 mei 2015 om 12:11 uur.    |    Terug naar Proza
Dit werk werd reeds 1337 maal bekeken.


 Zwanenzang/Swansong, Rose Vandewalle

               De beklijvende tederheid van een kraaienpoten-ik

Ver van het schroeiend voetlicht van ons gemediatiseerd letterenland gloeit Rose Vandewalle ( Ieper, 1942) als een charmante onbekende. Door haar innemende persoonlijkheid wordt zij in haar intieme dichterskring ontzettend gewaardeerd. Na In haar zak een doek van staal (1986), Laat de klok met rust (1992), Verwaaid ( 2006) is Zwanenzang/Swansong haar vierde poëziebundel. Met een selectie gedichten die dertig jaar overbruggen(1982 – 2012) biedt deze bundel een mooi overzicht van haar poëtisch werk. Dit werd voortreffelijk vertaald door de perfect meertalige dichteres, Annmarie Sauer (Dayton, Ohio 1947) die er steeds in slaagt om het taalkarakter van Nederlandse poëzie in het Engels te behouden. De gedichten en het proza van Rose Vandewalle werden in diverse bloemlezingen en tijdschriften opgenomen en zij was tevens redacteur bij literaire tijdschriften zoals Lilith, ’t Kofschip, Gierik&Nvt en Stroom.

‘ En het was op die leeftijd… De poëzie was naar me op zoek. Ik weet niet, weet niet vanwaar ze opdook, uit winter of rivier. Ik weet niet hoe of wanneer…daar stond zij zonder gezicht en raakte me aan.’  (Pablo Neruda.)

Zoals Neruda in zijn meesterlijke ode aan de ‘Poëzie’ werd Rose Vandewalle reeds op jonge leeftijd door de verzen van Marsman, Gilliams, Vasalis, Baudelaire, Rimbaud, Prévert en Aragon overvallen. Schrijven betekent voor haar spreken zonder al te veel ballast, in korte schetsen de essentie weergeven. Haar taal zonder franjes vormt een helder houvast voor haar treffende observaties. Het leven zoals het verschijnt is haar beminde muze. Rose Vandewalle is sterk geëngageerd en bewogen. Ze verzet zich tegen elke vorm van dominantie en betutteling. Samen met James Joyce is zij kritisch en maatschappij betrokken: ’I will not serve that in which I no longer believe, whether it call itself my home, my fatherland or my church; and I will try to express myself in some mode of life or art as freely as I can’.                                                                             

In drie cycli met telkens 11 gedichten wordt de bundel opgebouwd. 33 gedichten.     In de getallensymboliek staat 33 voor absolute verdraagzaamheid, geduld, begrip, harmonie, dienstbaarheid aan mensen, en de afwezigheid van elke vorm van eigenbelang. Kan deze interpretatie treffender de persoonlijkheid van deze dichteres schetsen?

De eerste cyclus, Ik die niet wist van de tijd speelt zich in haar thuisstad af en opent met Zwarte dagdroom te Antwerpen, een pijnlijke knipoog naar de verkiezingszondag van 24.11.1991 toen het Vlaams Blok doorbrak. Haar stad zingt een vreemd zeemanslied // nu reeds staat het vast: op D-dag zal onze feestneus worden afgerukt // zal pijn rondkruipen // en ik blijf schroeiend achter op de kaaien // mijn verdriet als dwaallicht. Met Antwerpen heeft zij een ambigue relatie: Er is iets tussen mij en deze stad: ze trekt me aan dan weer stoot ze me van zich af. Weg wil ik uit haar wurgende straten, vlucht voor haar brakende vitrines… Deze stad is geen haven.

Je zou het haar niet aangeven, maar soms wordt ze ook boos wanneer ze over haar opgesmukte, inhoudsloze seksegenoten praat. Met de verzen dat spiegelpaleis gooi ik aan diggelen // en bevrijd mijn kraaienpoten-ik distantieert ze zich hiervan uitdrukkelijk. Heel even belicht ze haar intimiteit en duikt er liefdespijn op: Weer verlangend naar je duizend handen // langs mijn lichaam…weer het woelig gehoer…en in haar verlangen naar van vooraf aan ontspringt dan in het zingen van de kleine zwanenzang de titel van deze bundel. Het indrukwekkend gedicht wijn en wals voerden me mee sluit de eerste reeks. De dichteres, door de voortschrijdende jaren gerijpt, werd toch verrast toen de muziek stilviel…uittolde // wel dertig jaar later. Met het vers ik die niet wist van de tijd, de titel van deze cyclus, lijkt het of ze zich wil  excuseren omdat ze al walsend niet zag en ze kijkt zoals ze is: schoorvoetend en beduusd hoe eensklaps men mij aansprak // met respect voor mijn jaren.

In einderloze dagen, de tweede cyclus, bloeit het zachte observatietalent van Rose Vandewalle open. In de vorige belijdt zij in ik-vorm haar wedervaren. Met ‘hij’, ‘hen’, ‘hun’, en ‘wij’ komt nu haar ‘ik’ versus de medemens tot een teder evenwicht. En wanneer het in de eerste cyclus de dichteres is die plots haar eigen tijd beseft, gaat het nu over de verwelking van oude mensen in haar omgeving: tussen tramsporen afscheid van hem nemen…wankel en wapperend in zijn te wijd geworden kleren… Voorheen was zij hiervoor blind tot op de dag ik eensklaps // zag hoe de vleesplank uitgekerfd // de lepels afgesleten. Respect is hier het sleutelwoord wanneer Pijn snijdt…verwijdering hen te beurt valt, hoe // de dag niets meer om handen heeft. Deze pijn wordt lijfelijk wanneer haar vingertoppen aarzelden over zijn gelaat en schrijnen in vier ogen droefheid…hoe broos hij was, maar ook hoe zeer verduurd. De dichteres ziet de aftakeling van twee oud geworden geliefden gebeuren. Tegen beter weten in klampen zij zich aan elkaar vast: Kom hier tot bij mij, zo deed hij teken // toen de haspel van de tijd teneinde liep…Tot hij eindelijk neerviel en gerust. Volgt dan het gemis in haastige wolken. Gemis ligt // in wind. Gemis ligt in colablikjes, hol hotsend…In dolle wind. Na het definitieve afscheid vergeet ze de regels // stapt vrolijk buiten haar hoed op halfzeven… gedreven om weer te gaan leven. In het laatste gedicht Alles kwijt wordt de mentale aftakeling duidelijk: Eerst haar man, dan haar bril, later heel haar hoofd…. Op afgetrapte schoenen. Ze gaat dan eenzaam verder // door deze bange blanke velden.

Alles kwijt is de titel van de volgende cyclus waarmee dementie als thema wordt aangekondigd. Deze cyclus leest als een dagboek waarin Rose Vandewalle haar bezoeken aan een rusthuis noteert. Mensen liggen er tussen de kille lakens van een hospitaal…ogen als schichtige vissen in een vijvergebrandmerkt en afgevoerd…tranen van angst slaan om //  in tranen van vreugde. Deze mensen zitten na te tafelen // klinken met de glazen // op hun povere bestaan…terwijl alles in dit huis // voortdurend blijft verdwijnen…zelfs een straat, een hele stad // elke dag opnieuw ook // naar zichzelf op zoek. In het huis waar ze verblijven zijn ze alles vergeten. Het ruist hier van stilte // niets roert nog tenzij heel verspreid // wat nameloos gekreun, geronk of gerochel. De ouderen hebben geen angst meer geen spijt // niets dan het reiken // naar wat heden nog rest. Rose Vandewalle wordt door deze aftakeling sterk aangegrepen. Indringend is dan ook de wanhoop in het voorlaatste gedicht: in mijn keel een schreeuw die niet weg kan // hoe lijfelijk de dood reeds aanwezig // nog voor hij opduikt. Gelaten wordt deze cyclus afgesloten:

Er werd hen nooit iets gevraagd    

het is het lot dat hen hier samenbracht  

het lot laat zich niet in met klasse of kleur      

met geaardheid en graad van geleerdheid

 

allen die hier verblijven

werden vergaard niet op grond van gelijkheid                                                                    

maar op basis van hun verstrooidheid                                                                        

het was niet wat ze wilden

 

Ut pictura poesis, Ars Poetica

Zoals een beeld weze poëzie, schreef Horatius, een Romeins dichter die voor een kruik wijn op zijn knieën viel. Ondergetekende viel voor de beklijvende poëtica van Rose Vandewalle, voor haar beeldende taal zonder acrobatie, voor haar metaforiek die zij weet te beheersen. Haar taal is verre van intellectualistisch, met een sterke elegische ondertoon, waardoor er niet echt opbeurende verzen vallen te rapen. Zij schrijft vormvast, nooit waait ze uit. Op hoofdletters en interpunctie is ze spaarzaam. Ik las enkele mooie alliteraties zoals wentelt en wankelt, en een trefzekere verklanking zoals in de avondlijke straat // eindelijk van auto’s geklaard. Kortom, dit is dichterlijk metier. In deze tijden vol gadgets van behaagzieke micro-junkies, tijden waarin men woorden in kolommen blijft stapelen, proza als poëzie wordt ver-markt zijn deze gedichten een verademing. Zwanenzang/ Swansong is rijpe, voldragen poëzie, eenvoudig en hierdoor letterlijk van-zelf-sprekend,  authentiek en ontroerend. Tot slot dien ik nog de smaakvolle vormgeving van deze bundel aan te stippen.

Frank De Vos

Rose Vandewalle, Zwanenzang/Swansong, vert. Annmarie Sauer, 85 blz, Dodopers Eindhoven, 2015. ISBN 978-90-822047-8, 10€

De bundel wordt voorgesteld in Den Hopsack, Grote Pieter Potstraat 24 te Antwerpen op 27 augustus 2015 om 20u30.

 




Vorige werk: De zinderende zeetaal van Peter Holvoet-Hanssen Terug naar overzicht Recensies Volgende werk: Het Verloren Koninkrijk, Els Witte