De Vos' Naamvallen in het onbekende. Richard Foqué in De Auteur.

TEKST groter lettertype kleiner lettertype

zondag 22 september 2013 om 10:11 uur.    |    Terug naar Proza
Dit werk werd reeds 1471 maal bekeken.


De poëzie van De Vos is steeds sterk maatschappelijk geëngageerd. In deze nieuwe bundel verpersoonlijkt de dichter zich hiermee bijzonder sterk. In haar voortreffelijk voorwoord stelt Lucienne Stassaert het heel treffend: I"k heb zelden poëzie in handen gekregen waarin de tweespalt van de eenling zo intens wordt verbonden met een gevoel van niets ontziende solidariteit".

Frank De Vos is een strijdende eenling, maar in die strijd wordt dat ik het wij. De eerste cyclus – reeds in de titel – Solitaire samenlevingsmodellen wordt die schijnbare tegenstelling uitgediept: Wij zijn ons samenleven, een maalstroom wisselvalligheden, met name solitair… en verder Ik ben niet wij, veelvuldige massa. Elk vers ademt deze paradox: de dichter, die onderdeel is, wil zijn, zich niet wil confirmeren, maar als individu, solitair en solidair, het verschil wil maken. Dit is de queeste van Frank De Vos. Ze ‘ontheemt’ hem en wat rest zijn de naamvallen, de poëzie, die hem onderkomen geeft, een uitvalsbasis voor zijn zoektocht: Wij zijn ons verzaken aan een verleden, wij vergeten niet. Het permanent wisselen van het ‘ik’ en het ‘wij-standpunt doorheen deze cyclus verhoogt de prangende zeggingskracht van het moeilijk zegbare. Je voelt de worsteling van de dichter: het zichzelf zijn met de ander en toch zichzelf blijven, een eenzame haast onmogelijke positie. Ik ben niet wij, veelvuldige massa, geen aansluiting, geen verlies… Wij zijn onmogelijkheid, geen opening… Ik heb niets gemeen, ik ben alleen, geen deel. En op het einde: Wij zijn ons, verder gaan we niet… Ik schrijf ons om het zwart, dat ons zal schrijven.

In de tweede cyclus Anti, een punt tegen punt wordt de dichter polemischer, hij klaagt aan en zal niet wijken met de taal als wapen: Iets in elke letter, elk woord en elk vers / tot het een volmaakte loopgracht wordt, en poëzie woede van gewapend staal. In de derde korte cyclus Impromptu verinnerlijkt de toon: de dichter is zich bewust van zijn eenzaamheid en zoekt heling: een langzaam kind dat nooit volgroeid, nauwelijks ademt, smart en stilt. Die heling zoekt hij in de vierde cyclus Aan meerpalen geklonken. De dichter wil landen, aanmeren, zich vastklinken. Dat houvast is de geliefde: omdat ik botten wil, wortels, bladeren / verzengen in alle staten. Het ‘ik’ en ‘wij’ in de vorige cycli wordt nu het ‘jij’ en ‘mij’. Er spreekt tederheid uit deze verzen en aanvaarding: Mij is nu het alles enig en bevlogen. De bundel eindigt met vier gedichten Deze pen. Het woord als laatste ultieme ankerpunt om te zijn in deze wereld: Deze pen is wat mij noemt…

Deze bundel is niet alleen inhoudelijk beklijvend maar getuigt zeker ook van een taalkundig meesterschap. Frank De Vos is een taalsmid. Hij dompelt zich onder in een vaak barokke woordenzee, laat zich schijnbaar meedrijven om dan trefzeker de woorden te laten uitspatten in het vers: confronterend en bezwerend tezelfdertijd. Lijfelijke poëzie die blijft kleven.
 

Naamvallen in het ontheemde, Frank De Vos, Berghmans Uitgevers, Antwerpen, 2012, ISBN 978 9070959 95 1

(Richard Foqué)
 




Vorige werk: Over Twijfelaars in Bloei door Bert Bevers Terug naar overzicht Over mijn bundels Volgende werk: Lucienne Stassaert over