Ars Moriendi

TEKST groter lettertype kleiner lettertype

woensdag 23 september 2015 om 09:04 uur.    |    Terug naar Proza
Dit werk werd reeds 1512 maal bekeken.


Ars Moriendi

Ars moriendi

                           Voor Stefaan D’Halleweyn

Nog eenmaal in een lucht van licht, in een kort verblijf

met enkele kleine letters, meer bepaald in twee zoals

in ‘Gij’, die nu aan zwarte nectar likt.

 

Als wuivend koren, warm van te baren brood rijpt 

in mij dat woord waarin ik ooit met u moet wonen.

In deze nacht, merkwaardig zacht suddert het in mijn inkt

als een wervelende kwaal die zich nooit laat uitzieken.

 

Met niet alleen de dauw sluit ik dan de luiken

maar met luttele woorden, gutsend  uit mijn mond,

met ‘leg me laat me’ in mijn handen voor  de dag

die zal ontbranden in een driest en dreigend vergezicht.

 

Toen ik in februari vorig jaar het nieuws van het naderend afscheid van Stefaan vernam schreef ik dit gedicht.  Met voorbedachten rade heb ik ‘Ars Moriendi’ niet in mijn laatste bundel opgenomen. Samen met Frank J.M.A Castelyns die deze bundel illustreerde besloot ik om mijn ‘Twijfelaars in bloei’ integraal aan hem op te dragen. Zes ISBNummers heb ik met mijn bundels tot hiertoe bij elkaar gesprokkeld, zes bescheiden, kleine steentjes ‘in een rivier op aarde verlegd’.  Ook zijn naam blijft een trouwe ‘steen die in mijn rivier op deze aarde werd verlegd.’

Amigo de todos amigo de nadie,( vriend van iedereen,  vriend van niemand ) is een Spaans spreekwoord dat ik van hem leerde. Bijna een halve eeuw had ik het voorrecht dat Stefaan mij ‘ vriend’ noemde. In barre tijden waren wij vluchtheuvels  waarop we elkaars wel en wee, elkaars lief en leed konden delen. Tijdens knusse avonden, soms tot diep in de nacht verbouwden we de wereld, weliswaar met onze stedenbouwkundige voorschriften. Tot het laatst met ademnood in zijn rolstoel voerden we vruchtbare gespreken. Het brede spectrum van geschiedenis was zijn lievelingsonderwerp.

 

Zwaar aangeslagen en met pijn, heel veel pijn heb ik van mijn dierbare vriend afscheid moeten nemen. Stefaan was niet  alleen een lieve echtgenoot, vader en trotse grootvader. Stefaan was een bijzondere mens. Het aretheia, de voortreffelijkheid van de oude Grieken was zijn sleutelwoord; een warme, wijze loper waarmee hij door de deuren van het leven wandelde. Voortreffelijk door een luisterbereidheid die ik als een schitterend juweel zal blijven koesteren, met‘ Il faut être parcimonieux de son mépris, vu le grand nombre de nécessiteux’ van Chateaubriand, voortreffelijk door uiterst spaarzaam te zijn met kritiek, met ‘Point n’est besoin d’espérer pour entreprendre, ni de réussir pour persévérer’ van Willem De Zwijger, was hij niet alleen een voortreffelijk magistraat maar tot zijn einde vooral een indrukwekkende, moedige mens, tot zijn uitgemergelde, ademloze ‘scena finale’ waarin hij vrede met zijn heengaan had gesloten. Dat kleine kamertje op het gelijkvloers noemde hij ironisch zijn sterfkamer. Zijn glimlach deed me toen slikken.

“Ik liet mij even gaan in mijn kamertje aan de voorzijde, waar ik beneden kan slapen wanneer trappen Himalaya ‘s worden. Samen met de jongens toch ook gezellig gemaakt, schilderijtje opa, fotoshop Hannes, ..., hifi, wifi, ... Met mijn iPodTouch vioolconcerto’s met meeslepende solo’s mijn gemoed laten aanzwaaien, tranen vrijheid gegeven, zonder dat het daarom over acuut verdriet ging. Mijn linkeroog dwaalde, ordende foto’s op mijn netbook. Ik wandelde weer even door Lissabon, zat aan het vertrekplekje van de grote ontdekkers, ... Ik keek weer even samen met Pieter vanop ons terras in ons huisje in Convalle in de Apenijnse Alpen, net boven Lucca, ...

Mijn rechteroog zag die trotse doever daar boven op de tak zijn borstveren opschuddelen in die eerste schijnbare lentezon, allicht gedreven door een even schijnbaar lentelibido.”

In deze wachtkamer van het leven was er voor Stefaan nog zoveel leven te leven. Meer en meer werd het heden zijn verleden, de zekerheid van het voorbije als enige houvast. Zijn goede uren vulde hij met foto’s klasseren, triëren, scannen waardoor hij steeds weer terug in de tijd kon reizen.

“Wanneer je in iemands ogen kijkt en niets dan openheid ziet en charme, niets dan milde lieftalligheid, minzaamheid en eenvoud, niets dan sobere verwachting.

Wanneer je geen vleugje reserve bespeurt, geen mespuntje van hoe je zou moeten zijn, geen rancune en wrok, geen achterdocht, geen twijfel, geen afwijzing maar de absolute en exclusieve aanvaarding van wie je bent, hoe je bent.

Wanneer je door die onbevangenheid lam geslagen, naar adem moet happen, een onmiddellijk inzicht van herkenning je overvalt, elk woord weerloos wordt, er alleen nog één naam is om te noemen .

Op de ruggengraat van die onvoorwaardelijke, oprechte blik wordt, wars van esthetiek, de vervullende huiver van het sublieme geboren, op de vele krassen en witte wonden, de verrukking over dramatische schoonheid, puur en zuiver.”

Aan deze ‘Poging tot definitie’ van onze steen der vriendschap, zal ik rusteloos,  amechtig en met de moed der wanhoop blijven kappen, vijlen, polijsten, slijpen en schuren.

   Het Herrengesellschaft

Aarzelend, onwennig en met zijn naam in onze krop zal ons ‘Herrengeselschaft’ vanaf nu op elke samenkomst ‘to an absent friend’ moeten klinken. Keer op keer tot ‘ friend’ in meervoud wordt geschreven, opnieuw en opnieuw tot de laatste wordt weggegomd.

De dood blijft een bizarre ingebrekestelling van een weerloos leven in dodelijke barensnood. Ik kan niet anders dan met deze gebruiksaanwijzing verder leven.

In het noodweer van de tijd blijf ik achter in een wereld die door zijn heengaan een stukje onherbergzamer werd. Weemoed over het vergane zal de herinnering uiteindelijk blijven kleuren. Hij is nu Egidius en ik heb hem lief.

Niet in het minst wil ik zijn vrouw Ria vermelden, die sterke Ria die al die tijd niet van zijn zijde is geweken, zijn aftakeling heeft moeten ondergaan. Dag aan dag heeft zij zich bij elkaar moeten rapen om door te gaan in het uitzichtloze. Bij deze haal ik haar uit de schaduw van de stille zorg die zij Stef toediende. Zij blijft het vleesgeworden “ Das Ewig Weibliche, zieht uns hinan’ van Goethe.

Dit ‘Ars Moriendi’, een hommage voor mijn dierbare vriend draag ik over aan het virtuele web. Opdat zijn naam er verder mag leven. Omwille van een zeldzame vriendschap die nooit beschaamde. Omwille van zijn liefde voor de mens, het ‘ pour l’amour de l’humanité’ van Jean Verdun. Met mijn schamele woorden klamp ik er mij aan vast.

 

Frank De Vos

 

 




Vorige werk: Een Belgxit: 29.10-1.11.2016 Terug naar overzicht Diversen Volgende werk: De wringende schoonheid van het einde, Jacoline Vlaander