De wringende schoonheid van het einde, Jacoline Vlaander

TEKST groter lettertype kleiner lettertype

zaterdag 5 september 2015 om 10:03 uur.    |    Terug naar Proza
Dit werk werd reeds 1672 maal bekeken.


De wringende schoonheid van het einde

Over mijn petekind Chayane Brunel Hassan Emile D’Halleweyn 16 december 2004 - 1 september 2006. Dit interview door Jacoline Vlaander verscheen in de rubriek ‘In liefdevolle herinnering’,  van de Zeeuwse Courant.

Chayane in moeders armen.

  Het telefoontje uit Damascus in de nazomer van 2006 zal hij nooit vergeten, vertelt de Antwerpse dichter Frank De Vos (59). Toen hij opnam hoorde hij een huiveringwekkend, dierlijk huilen: “Existentiële kreten van angst en pijn.” Het bleek Jan D’Halleweyn (64) te zijn, een goede vriend die hij al kende sinds zij samen in de jaren zeventig in Essen op het College van het Eucharistisch Hart zaten. Vanuit Syrië, waar hij als diplomaat met zijn gezin was gestationeerd, schreeuwde hij dat er voor het leven van hun zoontje moest worden gevreesd.

  “Het meest verschrikkelijke scenario dat je als ouders kan overkomen, leek zich te gaan voltrekken”, zegt De Vos. “En als peetvader van Chayane, zo ver bij hen allemaal vandaan, voelde ik me machteloos.”

  Uit het verhaal begreep hij dat Jan ’s middags in zijn werkkamer achter zijn bureau had gezeten en Faty, diens jonge vrouw en zwanger van hun tweede kind, in de keuken de voorbereidingen trof voor de maaltijd. Hoe het kon gebeuren weet niemand, maar ongemerkt is de vrolijke peuter naar buiten gedribbeld, de zonovergoten tuin in: “Over het gras richting het zwembad”, zegt De Vos. “Niemand had iets gehoord. Ook Nadir, de oudste zoon van Faty, niet. Toen het tot hen doordrong hoe stil het was en zij Chayane misten, dreef hij vrijwel levenloos in het water.” 

  Er braken angstige en hectische dagen aan. Via de lokale hulpdiensten belandde Chayane in het ziekenhuis. Lag in coma aan de beademing. Vervolgens werd het hele gezin met een militair vliegtuig vanuit Damascus naar het Koningin Paola Kinderziekenhuis in Antwerpen overgebracht. En nadat de onderzoeken naar eventueel nog werkende hersenfuncties hadden plaatsgevonden, kon De Vos eindelijk aan het bedje staan van zijn roerloze petekind.

  Nazaten heeft hij zelf niet, zegt hij. Het leven is anders gelopen: “Ik was dus zeer vereerd met mijn rol als peetvader. Vanwege de afstand zagen we elkaar natuurlijk weinig, maar ik reisde wel eens naar hen toe en zij kwamen twee maal per jaar richting België. Op deze nieuwe post in Syrië waren zij nog niet zo lang.”

  Zijn contact met Chayane bestond uit hem de flesgeven, liedjes zingen als hij hem op schoot had, en wat met hem spelen: “Ik voelde me een niet-geroutineerde surrogaat-papa. Dat was elke keer ook wel confronterend; je kijkt als het ware in je eigen gebrek. Maar hoewel Chayane te jong was om mij na die maandenlange intervallen te herkennen, maakte hij het mij niet moeilijk en strekte iedere keer lachend zijn armpjes naar mij uit. Ik verheugde mij om hem te zien opgroeien; zag ons later al gesprekken voeren over het leven, onze geliefde schrijvers en –dichters en met elkaar van gedachten wisselen over kunst, reizen en filosofie.”

  De zondagse afscheidsdienst, met een muzikale mengeling van Europese en Arabische invloeden, vond plaats in de volgestroomde Carolus Borromeus Kerk in Antwerpen. Naast alle vrienden en familie die Chayane de laatste eer bewezen, waren ook de leden van de militaire staf, de piloten en collegadiplomaten aanwezig. “En wat kun je dan als peetvader? Ik huurde sopraan Anne Cambier in, die barokaria’s zong, en via een vriend van de Lions Club regelde ik als lijkwagen een zwarte Rolls Royce; een oldtimer. Het was allemaal groots en prachtig. Maar vooral: pure onmacht.”

  Op maandag werd Chayane begraven. En op woensdag gingen Jan, Faty en Nadir weer naar Damascus terug. Hoe het voor hen moet zijn geweest toen zij hun huis weer binnenkwamen, kan hij nauwelijks vermoeden, zegt De Vos. Er is sindsdien niet veel meer over gesproken.

  Voor hemzelf betekent dit sterven een kantelmoment: een afscheid van het frivole, het luchtige. Hij trok zich sindsdien hieruit terug, zegt hij, en zoekt de schoonheid in het onderbelichte. In zijn poëzie treden nabloei en verwelking op de voorgrond, zoals het rode vermiljoen waarmee de wijngaarden verkleuren in het najaar van de Languedoc. “Het gedicht ‘Prelude’ is daar een voorbeeld van. De dood heeft iets huiveringwekkends en genotvols tegelijk. Het is vergelijkbaar met de ervaring die de Ierse filosoof Edmund Burke het sublieme noemt: voorbij de schoonheid om de schoonheid, voorbij het inhoudsloze, het irrelevante van de pure esthetiek. Denk maar aan de beelden van de ineenzijgende Twin Towers; de filmfragmenten van de tsunami; het stierenvechten; de kijkfile’s na een ongeval op de snelweg; het lezen van deze serie in de krant. Het oefent een onverklaarbare aantrekkingskracht op ons uit.”

  Hartverscheurend, zegt hij. En het blijft fascineren. “Net als toen ik negen jaar geleden werd overweldigd op die heel stille intensive care. Wij waren met een paar intimi bijeen. Het verzorgend personeel trok zich terug. Onze kleine Chayane, losgekoppeld van draden en slangen, werd in de veilige armen van Laura, zijn halfzus, gedragen. En ik neuriede het ‘Ombra mai fu’ van Händel, in die vijftien minuten waarin hij geruisloos uit zijn leven gleed.”

 

Jacoline Vlaander (Amsterdam, 1964) woont sinds vijf jaar in de hoofdstad van Zeeland. Zij is schrijver. Momenteel werkt zij aan een novelle waarin zee en eilanden meer betekenen dan alleen een ruig decor. Ook haar dichtbundel Omcirkel de kaai vordert gestaag. Daarnaast is zij als freelance journalist verbonden aan de Provinciale Zeeuwse Courant.

Haar gedicht Stabat Mater is verfilmd en draaide op Film by the Sea (2012) te Vlissingen. Dit voorjaar stond zij voor het eerst (en vast niet voor het laatst) op het podium in Den Hopsack te Antwerpen, en debuteerde in Gierik & NVT.

Het schrijven van biografieën (van mensen en organisaties) is de uitdaging voor de komende jaren. Net als de herstart van haar overige werkzaamheden; zij ontwikkelt - samen met haar compagnon Peter Vullers - inspirerende trajecten rondom levensverhalen, filosofie en levenskunst, en leert de deelnemers om hun persoonlijke geschiedenis schrijvend te onderzoeken. Want zij is geboeid door ontwikkeling, gelaagdheid en samenhang in de menselijke levensloop. En sinds haar kinderjaren fascineert haar het ontoereikende van taal. 

Voor meer informatie: www.arpege.nl

Jacoline Vlaander. © Marc Machielse

 

 

 

 




Vorige werk: Ars Moriendi Terug naar overzicht Diversen Volgende werk: Toiletreflectie