Die dekselse Komrij over het kunstjargon.

TEKST groter lettertype kleiner lettertype

woensdag 4 februari 2015 om 10:21 uur.    |    Terug naar Proza
Dit werk werd reeds 1363 maal bekeken.


Die dekselse Komrij over het kunstjargon 

Toen ik ooit een werk van kunstenaar Frank J. M. A. Castelyns bekeek, vroeg ik mijn beminnelijke vriend: “Frank, wat wil je hiermee nu zeggen?” Zijn laconiek antwoord luidde: “Wel beste Frank, als ik het zou kunnen zeggen dan zou ik het niet schilderen.” Sinds de tachtiger jaren hebben zijn woorden mij gezegend. Het werd een voorbehoedsmiddel tegen de academische rookpluimen van het kunstjargon dat mij steeds weer teistert. In mijn bijdrage Kitsch, de kunst van de massa. Kunst, de kitsch van de elite van 1 augustus 2014 kon ik het evenmin laten om mijn onmin hierover te formuleren. (1)

Van René Borzée, eredirecteur aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten Hasselt, ontving ik Gerrit Komrijs voorwoord uit de catalogus Herman Gordijn en het Dwaalspoor van de Literatuur. (2) Niet alleen zijn verrassend boek Kijken is bekeken worden, is boeiend. In zijn voorwoord grijpt Komrij deze gelegenheid aan om met knuistige vuisten de taal van het kunstwereldje te fileren. (3)

In vier punten ontspint hij het web van het belerend vingertje. Ten eerste: Beschrijven wat híj (de kunstkenner) ziet. Is het omdat een kunstwerk wat te eenvoudig overkomt dat hij zijn toevlucht neemt tot pagina’s lange beschrijvingen ‘van biljartkeu tot een pot augurken’? Een kunstwerk is echter meer dan zijn samenstellende delen. Ten tweede: Wat híj lekker wel, en de ander niet ziet. Alleen zíjn giswerk telt. Niettemin is een kunstwerk voortdurend op de vlucht voor interpretatie. Waar de ene kijker meedogenloos cynisme ziet, beleeft iemand anders een verborgen tederheid. Ten derde: Wat de ander moet zien. Hier straalt het dedain  van de kunstkenner tegenover de leek (en dat laatste ben ik graag). “Hij zal, als hij eerlijk is, moeten toegeven dat het juist de handicap van de literatuur is die hem voorspiegelt dat er zoiets als een verhaal, een verklaring uit een werk kan gedistilleerd worden…Het is de literatuur die hier niet alleen tekort schiet, maar ons ook op een dwaalspoor brengt”. En tot slot punt vier: Wat een ander allemaal gezien had kunnen hebben. Natuurlijk: “Mits de ander (verklarende) kunstgeschiedenis had gestudeerd, een toverwetenschap… zoals psychiatrie zich aan ziektes heeft gehecht toen deze problematisch werden”.

Een statisticus waadde vol vertrouwen door een rivier die gemiddeld één meter diep was. Hij verdronk, aldus Godfried Bomans. Van waar komt toch die drang naar ontsluiering, verklaring? Met deze aandoening hebben eveneens statistici zich op literatuur geworpen. Om wat te meten in een gedicht? Dat vers 9 het beter doet, meer impact heeft dan vers 13? Moet een schrijver zich hier naar richten, een conformiteitsattest afleveren zoals voor zijn wagen?  “Statistieken verhouden zich veelal tot de werkelijkheid zoals verlichtingspalen zich verhouden tot zatlappen. Ze dienen veeleer ter ondersteuning dan als verlichting.” las ik op Facebook

De tegenstem van die dekselse Komrij las ik graag, lees ik nog steeds. Zijn gedicht Residu met het openingsvers Dichters we lezen ze met droge ogen, neem ik altijd mee. En verklarende kunstkenners worden pas interessant als ze hun mond houden.

 

Frank DE VOS

 

http://www.frankdevos.be/bekijk.asp?type=v&id=505&reeks=50

Herman Gordijn, Meulenhoff / Landshoff, ISBN 90 290 8439 1

Kijken is bekeken worden, Gerrit Komrij, De Bezige Bij, ISBN 9789029526739

  




Vorige werk: The Snob Terug naar overzicht Letteren  Volgende werk: Mijn stroozak was hard gelegen - De Celbrieven van Wies Moens