Mondelinge geschiedenis: Trien van de nieuwe winkel.

TEKST groter lettertype kleiner lettertype

vrijdag 15 november 2013 om 15:05 uur.    |    Terug naar Proza
Dit werk werd reeds 949 maal bekeken.


Mondelinge geschiedenis: Trien van de nieuwe winkel.
Op de dag dat ik sterf zal ongeveer 200 jaar mondelinge geschiedenis met mij verdwijnen. In een muf archief of digitaal geïnventariseerd, blijven onze resten na smeulen: akten, geboorte, huwelijk en sterfdata, documenten allerhande…
“Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.
Het water gaat er anders dan voorheen.
De stroom van een rivier hou je niet tegen.
Het water vindt altijd een weg omheen”.
De Steen, Bram Vermeulen
Het verdwenen verleden met dierbaren die je blijven ontbreken, aan wie je nog zoveel wilde vragen. De antwoorden zijn de sluistenen die in het ooit verdwenen. Mijn grootmoeder was iemand die zoals in het lied van Bram Vermeulen een markante steen in mijn rivier verlegde. Mijn adem stokt nu ik aan haar denk, haar beeld stuitert in mijn pen. Ik denk in haar lievelingskleur: beeldig oudroze zoals haar blouse die ze aan had, toen aan tafel in de keuken, de sanseveria’s stonden netjes op de vensterbank. Hesprolletjes met kaassaus of ossentong in Madeirasaus met champignons . De aardappelpuree werd een vulkaan, de krater vulde ik met de rode saus zoals het vloeibaar magma dat Pompeï ooit verstomde. Op school hadden we erover geleerd.


Ik zit nog steeds aan die tafel. Mijn weemoed blijft er verjaren. Mijn lijf blijft er zeurend naar nijgen. Is het daar dat ik dank zij haar aan het verleden bleef kleven, geschiedenis ging studeren, nog af en toe de rug van Le Petit Larousse streel, me de geur herinner van beduimelde steekkaarten in de universiteitsbibliotheek, nog steeds mijn tien jaar oude Nokia-gsm gebruik, voor velen nu een brok industrieel erfgoed, ik angstvallig over allerlei familieprullaria waak?
 

Ze vertelde me over het wel en wee van voor de eerste wereldoorlog, over de zelfmoord van Jan, haar oudere broer vanwege een afgewezen liefde, over de verschrikking van zijn doodstrijd die drie dagen duurde( hij had een vloeibaar zuur gedronken en was hierdoor inwendig verbrand), over haar jaren op internaat bij ‘de nonnekes’, over het signum, een goede Belgische gewoonte dat ze opliep omdat ze op de speelplaats Nederlands had gesproken en deze op het einde van de dag niet tijdig aan een betrapte medeleerling had kunnen doorgeven, La conjugaison des verbes français die ze als straf hiervoor moest overschrijven, dat ze niet naar de cinema mocht, de Cameo want volgens haar moeder waren dat allemaal onzedige films waar mannen en vrouwen elkaar ‘aflikten’, over ‘franke’ dokwerkersvrouwen die hun zatte venten uit een van de vele cafés in de buurt sleurden, over de miserie van de mensen, hoe dezen te voet naar Beveren gingen om eieren te kopen omdat ze er een paar soukes goedkoper waren, en hoe ik als een kind van 1956, een bakelieten jaar met al veel auto’s, telefoons, het eerste nylon, transistorradio’s en plexiglas verwonderd opmerkte:” Moemoe, wat hadden jullie toch veel tijd…’


Ze verhaalde me de vlucht met een kruiwagen vol have en goed geladen toen het Duitse leger Antwerpen naderde, hoe ze als ‘Les réfugiés‘ van Alfred Ost met mijn overgrootmoeder en haar jongere zus, tante Lisa over de Schelde trok, over de noodbrug die de genietroepen van het Belgische leger had aangelegd, de ‘Petrol’ die brandde, hoe ze in Sint-Niklaas strandden en op advies van de burgemeester terug naar huis keerden, over de Ulanen, de gevreesde ruiterlanciers die in de straten verschenen en die ze steels van achter het gordijn bekeken, over de geit die ze stiekem voor de melk hielden, het tekort…

Ik werd een luisterende spons om de familiegeschiedenis op te zuigen…
Haar vader, mijn overgrootvader was Adrianus Rubbens, het kakkernestje van een rijke herenboer uit Chaam in het Nederlandse Noord-Brabant, iemand die met zijn wandelstok langs zijn velden kuierde om de knechten te inspecteren. De marmeren communiebank en de kruisweg in de parochiekerk werd door de familie Rubbens geschonken. Twee zusters zijn in het klooster getreden. Jan-Baptist, zijn oudste broer stierf in 1865 – hij was 24 jaar- als zouaaf voor zijn Pio Nono te Rome. Aan deze Pius IX danken we het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria en de Onfeilbaarheid van de Paus. Over de Pauselijke Zouaven, een stukje vergeten verleden berichtte ik op 27.2.2013 in Mededelingen (1)
 

Zoals in het spreekwoord droeg mijn doortastende overgrootmoeder ‘de broek’ .Mijn overgrootvader Adrianus was eerder een terug getrokken man, had in feite nooit moeten werken en was zoals zijn achterkleinzoon gezegend met twee linkerhanden. Hij was dan ook een ‘moderne’ huisman die voor zijn twee dochters zorgde, in de keuken met een klein oog voor variatie, afwisselend ‘brokkenpap met siroop’, ‘savooistoemp’ op tafel zette…
Slechts eenmaal per jaar kwam hij buiten en toonde dan zijn katholieke aanhankelijkheid door als ‘nen Hollander’ ostentatief in de processie van zijn parochie mee te lopen. En dat in het ‘rode’ Hoboken van voor de eerste wereldoorlog, tot grote ergernis van mijn overgrootmoeder Catherina of Trien van de nieuwe winkel. Samen waren ze in 1906 op ‘T Heike, een kruidenierszaak begonnen en van die van ‘den baseng’ en die van ‘de metalurgie’ moesten ze leven. De pastoor van de parochie van het H.Hart in de Krugerstraat was de winkel komen inzegenen. Toen was er slechts een kapel. Voor de kerk die er nu staat te verkommeren, heeft ‘ons moe’ met allerhande activiteiten meegeholpen om de stenen te verzamelen.


Catharina was een dochter van een Kempisch keuterboertje uit Minderhout en als jong meisje uit een kinderrijk gezin moest ze zoals toen gebruikelijk was gaan ‘dienen’. Ze belandde op de herenboerderij van Rubbens in Chaam. De familie at aan een tafel met een wit tafellaken. Gelet op de standenverschillen in die tijd zat het inwonend werkvolk wat verder aan een aparte tafel zonder tafellaken. Upstairs Downstairs werd nog niet uitgezonden Tijdens de lange winteravonden aan de haard moesten ze kousen stoppen, sjaals of truien breien want ledigheid was in die tijd nu eenmaal het oorkussen des duivels. Dagelijks werd de rozenkrans gebeden en Jan Baptist godsvruchtig herdacht.
Een van de bezigheden van Adrianus bestond erin dat hij elke morgen zijn moeder en zussen naar de kerk moest voeren in een calèche, een kleine paardenkoets. In de kerk hadden deze notabalen vooraan ieder hun privé stoel met hun naam op een koperen plaatje en een kussen om zacht te knielen. Wanneer het jaarmarkt of kermis was kreeg hij naast wat nikkel een ‘Daalder’ mee. Het was een stuk van 2.50 Gulden, in die jaren een flink bedrag. Hij mocht dit geldstuk enkel laten zien want gelet op de oranje zuinigheid moest hij dit ‘s avonds terug inleveren. Keeping up appearances avant la lettre...
Omdat Adrianus opmerkelijk veel, in feite te veel aandacht aan Catherina schonk, werd ze na enkele jaren van het erf gezonden. De zoon des huizes die met een meid aanpapte? Ondenkbaar, zo niet ongehoord was zoiets in 1884.

We schrijven 1894, tien jaar later is Antwerpen is de gaststad voor de Wereldtentoonstelling. Catharina en Adrianus lopen er elkaar opnieuw tegen het lijf. Cupido schiet er op los en ze blijven aan elkaar ‘plakken’. Ondertussen zijn de ouders van mijn overgrootvader overleden, in Chaam is alles verkocht. Na een aantal jaren als pachtboer voor Baron Cogels in Wijnegem te hebben gewerkt– iets wat door de Nederlandse familie keurig voor de omgeving werd verzwegen- belanden ze in Hoboken. Zo werd Catherina ‘Trien van de nieuwe winkel ‘ en mijn grootmoeder ‘ Anna van Trien van de nieuwe winkel’. Mijn moeder, Maria werd op haar beurt ‘De nieuwe Trien van de nieuwe winkel’
Mijn katholieke wortels zijn bij dezen ten overvloede bewezen. Ook mijn deels oranje bloed. Je maintiendrai!
Frank De Vos
(1) http://mededelingen.over-blog.com/article-de-zouaven-van-de-paus-een-vergeten-geschiedenis-115720172.html


 




Vorige werk: Troubadours, het engagement van een poŽtische avant-garde Terug naar overzicht In de armen van Clio Volgende werk: Van ketters naar anders denkenden