Interview: Zie mij als een romantische landmeter van woorden

TEKST groter lettertype kleiner lettertype

maandag 16 juli 2012 om 10:12 uur.    |    Terug naar Proza
Dit werk werd reeds 1641 maal bekeken.


Interview met Frank De Vos door Tin en Cor van Den Hopsack voor het ledenblad.

Zie mij als een romantische landmeter van woorden.

Frank De Vos verschijnt regelmatig op ons podium, zowel om zijn artistieke kunnen te demonstreren en als bezieler en organisator van verscheidene literaire programma’s zoals “Acht achtbare dichters” op Gedichtendag en “ Dichterlijk met Suikerbonen”. Om meer te weten over de persoon van Frank De Vos en zijn achtergrond zijn wij hem op een doordeweekse middag gaan bezoeken en hebben hem een interview afgenomen. Frank ontving ons op zijn kantoor in zijn speelgoedzaak. Op zijn bureau staan drie pc’s die hij tegelijkertijd onder zijn hoede heeft. Tijdens het interview gebruikt hij deze pc’s regelmatig om ons een blik te gunnen op een scherm waarmee hij zijn woorden toelicht.

Vertel ons eens iets over de door jou gevolgde studies.

Vooreerst heel veel dank voor de aandacht. Jullie strelen mijn ijdelheid.
Wel, ik heb in Leuven moderne geschiedenis gestudeerd gevolgd door een baccalaureaat wijsbegeerte. Dit laatste omdat ik geen afscheid van Leuven kon nemen en thuis klonk die titel goed. Daarna heb ik even les gegeven, maar ik ontdekte al snel dat het onderwijs niet echt mijn ding was. Het onderwijs is een roeping en die had ik niet. Bovendien was het eind de zeventiger jaren niet evident was om er een job te vinden. Ik ben dan in de zaak van mijn ouders gestapt. Dit was een Alvo-warenhuis, dat later is omgebouwd tot Speelland De Vos.

Leef je samen?

Met Goddie ben ik 3 jaar samen en we zijn vandaag 2 jaar getrouwd. Ik ontmoette haar voor het eerst op gedichtendag 2009 en wel in Den Hopsack.
Kan het poëtischer? Het feest voor vrienden en kennissen ter gelegenheid van mijn huwelijk heb ik dan ook in Den Hopsack, mijn vaderland gehouden. Verder hoop ik dat ik me over een vijftal jaren kan terug trekken in mijn geliefde Languedoc, een land waarop ik nooit raak uitgekeken.

Hoe ben je zo betrokken geraakt bij de literatuur?

Niet alleen nu maar ook tijdens mijn humaniora las ik veel, ook poëzie. Ik schreef toen mijn eerste gedichten die ik publiceerde in “Vondelingen”, een gestencild blaadje dat ik samen met een vriend was gestart en waarmee we onze collegegenoten lastig vielen. Mijn vroegere relatie heeft mij in 2005 aangezet om mijn gedichten ter publicatie in te sturen en een website te starten. Tot mijn verbazing - echt waar -werden her en der mijn gedichten gepubliceerd. Mijn eerste bundel “Infiniti” heb ik in 2007 via het internet uitgegeven. Het was Herman J. Claeys die mij heeft gevraagd om deze bundel te presenteren bij de Muzeval in december 2007. Daarna volgden de bundels elkaar redelijk snel op: “In omstandigheden” bij Jan Berghmans in 2008, “Trek de wind niet van de wieken” in 2009. Voor deze ontving ik de steun van onze toenmalige minister van cultuur, Bert Anciaux. Ik was toen DorpDichterDoel. In 2010 verscheen: “Excisa”. Mijn 5e bundel verschijnt in oktober bij Berghmans Uitgevers en heeft als titel: “Naamvallen in het ontheemde” met een voorwoord van Lucienne Stassaert die deze mee heeft samengesteld.

We vinden dat je proza ook behoorlijk indruk maakt, vooral ook omdat die overkomt als vlot geschreven en vol staat met metaforen.

Dank voor je compliment. Ik beschouw me wel niet als een prozaschrijver. Zelf noem ik het “spamproza”. Het zijn korte columns, noem het cursiefjes die ik op mijn webstek plaats en af en toe worden opgenomen op de blog “Mededelingen” van Henri-Floris Jespers. Per email gaan ze ook Urbi et Orbi. Ik schrijf ze omdat ik soms behoorlijk verontwaardigd kan zijn. Ik kan dan niet anders dan revolteren, zoals bij de tergende wantoestanden die ik te Doel beleefde. Zonder ergernis, zonder dat maagzuur kan ik niet schrijven. Dus ik kan niets maar dan ook niets op bestelling, niets op bevel. Zelfs tijdens de medische onderzoeken op school had ik daar last van. Dat plastic potje vol plassen was een hele onderneming.

Dat ik eigenlijk meer belangstelling heb om poëzie te schrijven, komt doordat ik gek ben op taal, de semantiek ervan. En bovendien is poëzie de meest compacte vorm van het gesprokene. Ik kan intens genieten van metaforen. Ik tracht deze dan ook in mijn gedichten te “doorspekken”. Poëzie zonder metaforen is geen poëzie: je zegt A om B uit te drukken. Het is alsof je in je neus knijpt en dit voelt in je kleine teen. Maar de ultieme metafoor zal nooit worden gevonden. Misschien is het allerlaatste, sublieme gedicht wel een wit blad. Bij kunst en bij poëzie in het bijzonder moet het tevens gaan om een stilering die ontroert. Dat is wat Gerard Reeve stelde: ‘ Kunst is een stillering van het menselijke handelen die ontroering veroorzaakt. Ontbreekt een van beiden dan is er geen sprake van kunst”. Ik sluit me hier graag bij aan. Van mijn gedichten vind ik dat ze moeilijk zijn voor te dragen. Ik ben dan ook bezig aan een cyclus met ‘parlandi’. Ik laat ze af en toe lezen aan twee van mijn voedstermoeders, twee grote dames in de poëzie nml. Lucienne Stassaert en Marleen Decrée.

De laatste jaren raak ik steeds meer betrokken in poëziekringen, zo zit ik bij voorbeeld in de jury van de Melopeepoëzieprijs, waarbij jaarlijks een prijs van € 2500 wordt gegeven aan het meest beklijvende gedicht dat in een Vlaams literaire tijdschrift is verschenen. Het feit dat je al die tijdschriften moeten doornemen is een verrijking.

Ben je naast literatuur nog op ander artistiek terrein actief?

Om me te strelen schreef een vriend dat ik actief ben als “musicus” en “beeldend kunstenaar”. Plaats die grote woorden maar tussen aanhalingstekens want dat ben ik absoluut niet. Ik moet daar eerlijk in zijn. Zo niet ben ik een charlatan. En die lopen er genoeg rond. Noch tot muzikant, noch tot beeldend kunstenaar ben ik opgeleid. Wat het beeldende betreft: ik noem deze: “Bedichtingen van canvas“. Het is voor mij een andere vorm van communicatie, punt andere lijn. Ik ben ook niet tot “musicus” opgeleid. Noem me liever een troubadour die liedjes maakt en deze verzamelt onder de naam:”Quirilian”.
Het bindend thema in beiden is vergankelijkheid en de daarbij horende melancholie. Mijn liedjes zijn weemoedig; ik ben geprikkeld door de vergankelijkheid, door de pijn. Op canvas zijn het bijvoorbeeld verwelkte tulpen Ik ben ook gefascineerd door vervaagde, oude reclames op muren.

We moeten zeggen dat je op het podium flair uitstraalt.

Ook nu gaat mijn snor wat feller krullen. Men noemt me flamboyant. Dat zal wel zijn zeker. Misschien komt dit doordat ik mensen altijd onbevangen tegemoet treed. Natuurlijk tot dit niet meer kan. Dan haak ik af en trek me terug. Ik voel me juist erg onzeker. Ik ben eigenlijk ook nooit echt tevreden, nooit. Ik ken mijn beperkingen en bots erop. Ik heb ook schrik van massa’s. Het leidt tot het oplossen van het individu en je wordt gemanipuleerd. Ik kan dan ook onmogelijk een collectivist zijn. Die massale hype’s, zoals sport, ontgaan me volledig. Als ik bv naar sport kijk, heb ik gevoel dat ik naar aandelenkoersen kijk. Ik voel me dan een collaborateur met het grote geld.

De consequente van afhakken is eenzaamheid. Vandaar wellicht ook die onbestemde melancholie. Je zou dit kunnen omschrijven als: “ik voel me nergens thuis, maar trek wel graag met mensen op”. Dit afwijzen van de massa of in het modern Nederlands de “mainstream”, leidt er ook toe dat ik geen sympathie kan koesteren voor welk geloof, welke ideologie dan ook. Ik heb wat teveel: “Ja maar’s” in mijn lijf.

Heeft kunst altijd een belangrijke rol in je leven gespeeld?

Van jongs af. Pater Van Hunsel zaliger is hier bepalend geweest. Het vak esthetica gaf hij heel begeesterend. Ook Prof. Steppe in Leuven was tijdens zijn colleges kunstgeschiedenis altijd heel enthousiast. Mijn vroegere leven werd wel volledig bepaald door het beroepsmatige, dat mij volledig opslokte. Pas na mijn 45 ben ik in mijn vrije tijd met niets anders bezig.

Vind je dat een kunstenaar ook een maatschappelijke functie heeft?

Absoluut en daarbij heeft hij ook de plicht om zich maatschappelijk te engageren. Peter Holvoet Hanssen is hier een lichtend voorbeeld. Dat artistiek engagement heb ik ook verwoord in het voor KunstDoel opgestelde “aRtivistisch manifest”. Kunst mag niet uitsluitend een egocentrische uiting zijn.

Wat vind je van de beeldende kunst tegenwoordig?

Over conceptuele kunst kan ik kort zijn: gezever. Dat je voor een kunstwerk dat je zelf niet maakt er bovendien een essay voor nodig hebt, opgesteld door “specialisten” en dan nog in een rokerige taal zegt genoeg. Ik weet niet of het waar is maar iemand heeft me verteld dat Fabre zelfs geen ontwerp heeft gemaakt voor zijn insect aan zee. Gewoon even zijn idee doorgebeld naar een bronsgieterij en klaar was Kees. Geef me dan maar de etser en beeldenbouwer Hubert Minnebo. Een van onze grootste en meest oprechte kunstenaars, een zwoeger, nooit zelfvoldaan. Het kunnen uitvoeren – let vooral op de K van kunnen - van een idee is het begin van kunst en de technische uitvoering, zeg maar het daadwerkelijk beïnvloeden van het materiaal tot de gewenste uiting, moet door de kunstenaar zelf of minstens volgens een ontwerp van zijn hand gebeuren. Daarom zijn o.a Hubert Minnebo, Octaaf Landuyt, Rik Poot, Frank-Ivo Van Damme e.a grote heren.

We weten dat je ook veel belangstelling hebt voor twee andere specifieke onderwerpen, namelijk de kastraten en de Katharen. Vertel ons daar eens iets over.

Over beide onderwerpen heb ik vele boeken. Mijn interesse voor deze twee fenomenen komt doordat het tragische ervan me aantrekt. Het heeft iets weerzinwekkends subliem, waarbij tegelijkertijd sprake is van ontheemding, ontwrichting, het niet in balans zijn met de rest van de samenleving. Mijn belangstelling voor de Katharen is ontstaan tijdens mijn verblijf in de Languedoc. Ik zie de vervolging van Katharen als een voorbeeld van de waanzin van geloof. Het zijn slachtoffers van dogmatisch denken. Natuurlijk is dit een vorm van “Hineininterpretierung”. De Katholieke kerk zag hen helemaal niet als slachtoffers maar als onkruid dat op de brandstapel moest. Heb ik sympathie voor dat Kathaarse geloof? Neen.

Het fenomeen van kastraten is deels het gevolg van de perverse stelling dat vrouwen in de kerk hun mond niet mochten open doen, laat staan zingen. Dit gaat terug op een brief van Paulus. Het is dan ook een fenomeen in katholiek Europa en niet in het protestantse deel ervan. Als je de getuigenissen over de magie van die uitzonderlijke stemmen van de grote diva’s zoals Bernacci, Farinelli, Senesinno enz erop naleest, kunnen we ons dit gewoonweg niet voorstellen. Het moet iets bijzonders zijn geweest. Het wordt vandaag geëvoceerd door contratenoren of mezzo sopranen. Misschien geef ik wel eens een voordracht over deze “Alti musici’.Ik zal dan een opname laten horen uit 1902 van de laatste kastraat , Allesandro Moreschi. Wat denk je van de titel: “Twee teelballen voor drie octaven”? (grinnikt)

Onze slotvraag: wat zijn je ideeën zijn bij het cultuurbeleid in het Antwerpse?

Ik erger me aan die hoofdletter A met al die streepjes, die opgeblonken kerstbol, een marketingprodukt. Deze stad geeft veel middelen uit waarvan het bereik soms niet in overeenstemming is met het geld dat eraan wordt uitgegeven. Meestal wordt dit gespendeerd aan grote namen. Natuurlijk ben ik dankbaar voor wat het district Hoboken voor mijn project: ‘Poëzie in Hoboken” en ook Antwerpen Boekenstad me ter beschikking stelt voor mijn “Dichterlijk met suikerbonen” in Den Hopsack. Ik gebruik het om mensen podium te geven, mensen die anders geen of onvoldoende kansen krijgen.




Vorige werk: Met nog een geeuw op steen, het voorwoord Terug naar overzicht Trivia  Volgende werk: Mijn Laudatio voor mijn vriend Herman Elegast